ECLI:NL:RBNNE:2026:222

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
18.271746.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal van telefoons en jas, vrijspraak voor wederrechtelijke vrijheidsberoving

Op 13 oktober 2025 heeft verdachte samen met anderen een woning in Leeuwarden bezocht waar het slachtoffer verbleef. Tijdens dit bezoek werden vier telefoons en een jas van het slachtoffer weggenomen. Verdachte heeft deze goederen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening meegenomen.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd, maar spreekt hem vrij van de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hoewel het slachtoffer werd vastgehouden en bedreigd door een medeverdachte met een vuurwapen, is onvoldoende bewijs dat verdachte hierbij een nauwe en bewuste samenwerking had.

De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf van acht maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en begeleid wonen, vanwege zijn langdurige verslavingsproblematiek en instabiele leefsituatie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk, en vrijgesproken van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.271746.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te Leeuwarden vier telefoons en/of een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
  • die [slachtoffer] bij zijn polsen en/of zijn nek vast te pakken,
  • die [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “meekomen en als je dat niet doet dan schiet ik je dood” en/of “je laatste dag is geslagen" en/of “bek houden en doorlopen”, althans woorden van gelijke inhoud en/of strekking,
  • die [slachtoffer] in de richting van een auto te dwingen,
  • een alarmpistool op die [slachtoffer] te richten,
  • met een alarmpistool te zwaaien,
  • die [slachtoffer] tegen de grond te houden,
  • tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen, terwijl hij op de grond lag,
  • die [slachtoffer] met een alarmpistool op zijn hoofd te slaan en/of
  • een alarmpistool af te laten gaan in de buurt van die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide feiten. Zij daartoe aangevoerd dat de gedetailleerde aangifte van [slachtoffer] wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , de beschrijving van de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] . Daaruit valt af te leiden dat verdachte en zijn medeverdachten naar de woning zijn gegaan waar aangever verbleef om aangever te dwingen geld en een bankpas af te geven. Als verdachten in de woning komen, wordt aangever meteen meerdere keren door de medeverdachte [medeverdachte] geslagen. Ook wordt door hem een vuurwapen op aangever gericht. Verdachte pakt vier telefoons van tafel. Vervolgens wordt aangever bij zijn polsen gepakt en gedwongen mee naar buiten te gaan. De medeverdachte [medeverdachte] geeft daarbij aan dat hij zal schieten als aangever vlucht. Als aangever probeert te vluchten, wordt hij door de medeverdachte [medeverdachte] met het wapen op zijn hoofd geslagen. Ook gaat het wapen af. Eenmaal op de grond wordt aangever door verdachten getrapt.
Aangever wurmt zich uit zijn kleding en vlucht in doodsangst. Dat aangever is vastgehouden wordt bevestigd door de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] . Gelet hierop kan naar het oordeel van de officier van justitie de diefstal en het medeplegen van vrijheidsbeneming wettig en overtuigend worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnota betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide feiten.
Oordeel van de rechtbank
ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat aangever [slachtoffer] onder dwang naar buiten is begeleid en dat medeverdachte [medeverdachte] hem daarbij heeft toegezegd dat wanneer aangever zich los zou rukken of weg zou rennen, medeverdachte [medeverdachte] hem neer zou schieten. Uit de verklaring van aangever volgt eveneens dat medeverdachte [medeverdachte] op dat moment een vuurwapen in zijn hand had en dat hij hem buiten de flat met de kolf van het vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen.
Voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte kan uit het dossier slechts worden afgeleid dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elk een pols van aangever hebben vastgepakt toen zij de woning van getuige [getuige 1] uitliepen. Echter is op de camerabeelden van de portiek enkel te zien dat medeverdachte [medeverdachte] aangever vasthad. Verdachte en medeverdachte [getuige 2] liepen op dat moment voor medeverdachte [medeverdachte] en aangever aan de trap af. Voor zover verdachte aangever al heeft vastgepakt, moet dit dus een kwestie van seconden zijn geweest. Dat acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Nu ook overigens niet uit procesdossier blijkt dat verdachte verdere uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
ten aanzien van feit 1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 16 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Mijn bijnaam is [bijnaam verdachte] . Op 13 oktober 2025 ben ik samen met [medeverdachte] en [getuige 2] naar aangever gegaan omdat hij mijn bankpas had. In de woonkamer zei [getuige 2] dat de telefoons die op tafel lagen van zijn vader waren. Ik heb toen die telefoons meegenomen. Buiten probeerde ik [naam] omhoog te trekken en toen ging zijn jasje uit omdat hij weg wilde lopen Ik had dat jasje meegenomen omdat het anders op straat zou blijven liggen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 32 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025278089, gesloten op 5 december 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Vandaag was ik in een woning aan [adres] . Omstreeks 09:30 uur werd er bij de voordeur van de woning aangebeld. Ik zag dat er drie mannen binnen kwamen. Ik kreeg vrijwel direct rake klappen van [medeverdachte] . Na deze klappen zag ik dat [bijnaam verdachte] mijn telefoons pakte. Deze vier telefoons lagen voor mij op tafel. Dit betreffen een IPhone 6, IPhone 7 met een Ferrari hoesje. Blauwe Samsung met een kapot scherm en een zwarte Samsung. Mijn witte jas van het merk Lacoste met daarin mijn ID-kaart hebben ze vermoedelijk ook meegenomen.
Bewijsoverweging
De rechtbank overweegt het volgende. De verklaring van verdachte dat de telefoons van de vader van [getuige 2] waren, acht de rechtbank onaannemelijk gelet op de specifieke beschrijving die aangever van de telefoons heeft gegeven. Daarnaast heeft [getuige 2] een uitgebreide verklaring afgelegd over de gebeurtenissen op 13 oktober 2025, maar met geen woord gerept over telefoons van zijn vader. Ook de verklaring van verdachte over de jas acht de rechtbank ongeloofwaardig.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de telefoons en de jas van aangever heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 13 oktober 2025 te Leeuwarden vier telefoons en een jas, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. diefstal
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van beide feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair gepleit voor vrijspraak. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft hij bepleit om aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Eventueel zou daarnaast nog een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden opgelegd kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van Tactus Verslavingszorg d.d. 17 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 29 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal van telefoons en een jas. Verdachte is met twee andere personen naar de woning gegaan waar het slachtoffer verbleef. Bij binnenkomst is het slachtoffer door de medeverdachte met een wapen bedreigd en meerdere keren geslagen. Hoewel verdachte geen aandeel heeft gehad in de gewelddadige handelingen, heeft hij wel tijdens deze zeer beangstigende en intimiderende situatie terloops eigendommen van het slachtoffer meegenomen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat verdachte recentelijk niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De reclassering heeft in haar rapport van 17 december 2025 geconcludeerd dat verdachte ruim veertig jaren met een heroïneverslaving kampt. Er is bij verdachte geen veranderwens ten aanzien van zijn middelengebruik. Hij heeft geen huisvesting en verblijft op wisselende adressen in zijn gebruikersnetwerk. Hij ontvangt een Wajonguitkering. Gelet op de langdurige verslavingsproblematiek, het langdurige gebrek aan stabiliteit omtrent wonen, het ontbreken van een dagstructuur en het ontbreken van een gezond sociaal netwerk maken dat het risico op delictgedrag gemiddeld tot hoog aanwezig is. Het risico op letsel en onttrekking aan eventuele voorwaarden acht de reclassering gemiddeld. De reclassering adviseert bij een veroordeling oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere
voorwaarden van een meldplicht bij reclassering, een ambulante behandeling, beschermd- of begeleid wonen of maatschappelijke opvang en dagbesteding.
De rechtbank is, alles afwegend en in aanmerking nemend dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, van oordeel dat een gevangenisstraf van acht
maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde
voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan, meldt bij Reclassering Verslavingszorg Noord Nederland, [adres] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Gedurende de gehele proeftijd houdt de veroordeelde zich aan de aanwijzingen van de reclassering en stemt hij in met huisbezoeken.
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling en begeleiding zal stellen van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling en begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten [instelling] , of een soortgelijke instelling, ook als dit betekent dat veroordeelde zich buiten Leeuwarden moet vestigen, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.
dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak
en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en
mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2026.