Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2218

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
24/2352
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.2aa Besluit omgevingsrechtArt. 2.7 WnbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning monomestvergistingsinstallatie wegens onvoldoende motivering natuurtoets

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een monomestvergistingsinstallatie aan een adres in Westerveld. Stichting Natuurbeschermingswacht betwistte de vergunning en voerde aan dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de installatie geen significante gevolgen zou hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat tijdens de gebruiksfase geen depositie zal optreden. Hoewel het college stelde dat de installatie gasdicht is en emissies beperkt zijn, is niet onderzocht of emissies via overdrukventielen en noodfakkelinstallaties significante gevolgen kunnen veroorzaken. Hierdoor had de natuurtoestemming aan moeten haken bij de omgevingsvergunning.

De rechtbank vernietigt het besluit van 30 januari 2024 en bepaalt dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de natuurtoets.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/2352

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

Stichting Natuurbeschermingswacht, uit Meppel, eiseres

(gemachtigden: G.W. Starre en H. Baptist),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld

(gemachtigde: M. Groen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het oprichten van een monomestvergistingsinstallatie aan de [adres] in [plaats]. Eiseres is het niet eens met de verlening van deze vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen depositie zal zijn in de gebruiksfase en dat er daarom geen natuurtoestemming hoefde aan te haken aan de aanvraag om omgevingsvergunning voor de monomestvergistingsinstallatie. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [naam] (vergunninghouder) heeft een vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijf aan de [adres] in [plaats].
2.1.
Op 12 september 2023 is een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een monomestvergistingsinstallatie aan de [adres] in [plaats]. Het betreft een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, planologisch strijdig gebruik en milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.2.
Met het bestreden besluit van 30 januari 2024 op de bezwaren van eiseres is het college bij de verlening van de vergunning gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting. De vergunninghouder is in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende deel te nemen aan de procedure maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.6.
De rechtbank heeft op 27 mei 2025 ook het beroep behandeld tegen een omgevingsvergunning die is verleend voor de bouw van een ligboxenstal bij het bedrijf aan de [adres] in [plaats]. In die zaak (LEE 24/3161) is apart uitspraak gedaan.
2.7.
Na de zitting is aan het college gevraagd of de omgevingsvergunning voor de monomestvergistingsinstallatie tot stand is gekomen met behulp van intern salderen.
2.8.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld te reageren op het antwoord van het college.
2.9.
Met instemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Het onderzoek is op 1 juni 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoering Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet in dit geval de Wabo en de Wet natuurbescherming (Wnb), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing.
3.1.
Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden zonder vergunning (natuurvergunning) van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3.2.
Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning ook een natuurvergunning nodig is, kon de aanvrager onder de Wabo kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wilde doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om de omgevingsvergunning nog geen natuurvergunning was gevraagd of verleend, bestond op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming aan te vragen, de zogenaamde aanhaakverplichting.
Is terecht afgezien van het niet aanvragen van een natuurvergunning?
4. Gelet op het besprokene op zitting beschouwt de rechtbank de beroepsgronden die zien op de onafhankelijkheid van het advies van de bezwarencommissie [1] , de omschrijving van de bezwaargronden in het advies van de bezwarencommissie, en de beroepsgrond dat er sprake zou zijn van een chemische installatie en dat daarom het Verdrag van Aarhus [2] van toepassing zou zijn, als ingetrokken.
4.1.
Het beroep van eiseres ziet er in de kern op dat niet is uitgesloten dat de ingebruikname van de monomestvergistingsinstallatie significante gevolgen kan hebben voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Daarom had de natuurvergunning moeten aanhaken bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, planologisch strijdig gebruik en milieu. Volgens eiseres volgt uit het rapport “Berekeningen emissies en economie voor verschillende scenario’s voor verwaarding van rundveemest” [3] van Wageningen University & research (WUR) dat aanwending van digestaat modelmatig leidt tot een toename van de ammoniakemissie ten opzicht van drijfmest. Door het ontbreken van praktijkmetingen is er geen sprake van de vereiste wetenschappelijke zekerheid zoals is vereist bij de natuurtoetsen zoals een voortoets en een passende beoordeling.
5. Het college stelt dat er geen natuurvergunning nodig is voor de monomestvergistingsinstallatie. Het college voert aan dat een AERIUS-berekening voor de aanlegfase is uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de bouw van de monomestvergister geen aantoonbare depositie op natuurgebieden veroorzaakt. Omdat de monomestvergister gasdicht is en redelijkerwijs geen depositie valt te verwachten tijdens de gebruiksfase, is geen AERIUS-berekening voor de gebruiksfase gemaakt.
6. Op de zitting is besproken dat het rapport van de WUR ziet op digestaat en dat het uitrijden van digestaat een separaat project is. Eiseres heeft dit beaamd. De rechtbank gaat daarom verder niet in op dit rapport van de WUR.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het bedrijf van vergunninghouder in ieder geval binnen 25 kilometer afstand ligt van de Natura 2000-gebieden Drents-Friese Wold & Leggelderveld, Dwingelderveld en het Holtingerveld.
6.2.
Verder staat vast dat voor de monomestvergistingsinstallatie op het moment dat de aanvraag om omgevingsvergunning werd ingediend, geen separate aanvraag om een natuurvergunning was ingediend. Vergunninghouder heeft op 14 december 2023 wel een aanvraag om een natuurvergunning ingediend bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Drenthe, maar deze aanvraag zag op de uitbreiding van het bedrijf met de ligboxenstal, niet op ingebruikname van de monomestvergistingsinstallatie. Dat betekent dat, als een natuurvergunning nodig was voor de monomestvergistingsinstallatie, deze verplicht had moeten aanhaken bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de installatie.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen depositie zou zijn in de gebruiksfase en dat er daarom geen natuurvergunning hoefde aan te haken aan de aanvraag om omgevingsvergunning voor de monomestvergistingsinstallatie. Hierna ligt de rechtbank die beoordeling toe.
6.3.1.
In het advies van de bezwarencommissie wordt overwogen dat bij vermindering van uitstoot er per definitie geen sprake kan zijn van een significante verslechtering. Het college heeft in het bestreden besluit het advies van de bezwarencommissie op dit punt overgenomen. In de na de zitting toegestuurde reactie stelt het college dat bij het bewaren van mest in een gierkelder continu mestgas geëmitteerd wordt en bij het gebruik in een monomestvergister alleen een klein beetje geëmitteerd wordt bij disfunctioneren in de afvoer van methaan. Daarbij stelt het college dat bij normaal gebruik de overdrukbeveiliging niet tot inzet komt, ook niet bij onderhoud.
6.3.2.
De rechtbank acht het niet uitgesloten dat door de verwerking van mest in de monomestvergistingsinstallatie minder geëmitteerd wordt dan bij (open) opslag van mest in een gierkelder. Maar dat er mogelijk minder wordt geëmitteerd, maakt op zichzelf nog niet dat er op voorhand is uitgesloten dat met deze nieuwe activiteit geen sprake kan zijn van een project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Uit vaste rechtspraak [4] volgt dat in de voortoets, bij de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten, de gevolgen van het project op zichzelf moeten worden onderzocht.
6.3.3.
Uit de overlegde stukken blijkt dat de monomestvergistingsinstallatie is voorzien van een overdrukventiel om bij calamiteiten een overdruk te voorkomen. Er is geen externe gasopslag aanwezig. Als er teveel biogas ontstaat zal de noodfakkelinstallatie het overtollige gas affakkelen.
Hieruit volgt dat – al dan niet in noodgevallen – emissie op kan treden via de overdrukbeveiliging en de noodfakkelinstallatie. Niet gebleken is dat de gevolgen van de emissies die vrij (kunnen) komen bij gebruik van de overdrukbeveiliging en noodfakkelinstallatie zijn beoordeeld. Nu deze emissies niet zijn beoordeeld maar deze emissies wel onderdeel uitmaken van het project, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen concluderen dat niet is uitgesloten dat als gevolg van het project geen sprake is van een significante gevolgen op omliggende Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd dat geen natuurvergunning aangehaakt hoefde te worden.
6.4.
De beroepsgrond van eiseres slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigden van eiseres een beroepschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 30 januari 2024;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. G. Steenbergen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Commissie van advies voor bezwaarschriften van de gemeente Westerveld.
2.Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Besluit 2005/370/EG.
3.Berekeningen emissies en economie voor verschillende scenario’s voor verwaarding van rundveemest, Luuk Gollenbeek, Jos van Gastel, Flavia Casu, Iris Huisma en Nico Verdoes, Wageningen University & research, Openbaar Rapport 1372, december 2022, 569408.
4.Waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.