Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2197

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
18-030276-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal met geweld met jeugddetentie en taakstraf

Op 2 januari 2025 heeft verdachte samen met anderen vapes van een slachtoffer gestolen waarbij geweld is gebruikt. Verdachte was als back-up aanwezig en heeft zich actief gemengd in de vechtpartij, waarbij hij het slachtoffer meerdere keren sloeg.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleger is, met voorwaardelijk opzet op het geweld. Er was sprake van een gezamenlijk plan en nauwe samenwerking. Verdachte werd vrijgesproken van het wegnemen van een mobiele telefoon omdat dat niet bewezen kon worden.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het veiligheidsgevoel van de slachtoffers en de maatschappelijke impact. Verdachte had geen eerdere geweldsveroordelingen en had zich goed gehouden aan schorsingsvoorwaarden. Daarom werd een relatief lichte straf opgelegd: 4 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uren.

De uitspraak werd gedaan op 15 mei 2026 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 dagen jeugddetentie en een taakstraf van 120 uren voor medeplegen van diefstal met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-030276-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 15 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Heerenveen op de openbare weg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een of meer) vapes en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) plotseling/onverhoeds die vapes en/of telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te grissen en/of met die vapes en/of telefoon ervandoor te gaan en/of meermalen en/of met kracht die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of die [slachtoffer 1] naar de grond te werken en/of (vervolgens) (wederom) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de aangiften, de verklaringen van verdachte, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en de bevindingen uit de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld. Verdachte was op de hoogte van het plan om de vapes van aangever [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) te stelen.
Verdachte is, met een aantal anderen, als back-up in de buurt gaan staan van de plek waar de afspraak tussen aangevers en twee medeverdachten zou plaatsvinden. Nadat medeverdachte [medeverdachte 1] de vapes van [slachtoffer 1] heeft afgepakt is er een vechtpartij ontstaan waar verdachte zich ook in heeft gemengd. Hij heeft verklaart dat hij twee klappen heeft uitgedeeld. Dat er sprake was van een vooropgezet plan om de vapes te stelen impliceert al dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het plegen van geweld. Het is immers te verwachten dat de vapes niet zomaar vrijwillig worden afgestaan en dat er verzet valt te verwachten dat doorbroken moet worden. Daarnaast is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Er is een gezamenlijk plan gemaakt. Verdachte is vervolgens naar de afgesproken locatie gegaan, was daar fysiek aanwezig en heeft geweld gebruikt. Verdachte heeft dan ook een significante bijdrage geleverd aan het geweld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 april 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 3 januari 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025002413 van 26 mei 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 3 januari 2025, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld en overweegt daartoe als volgt.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte en de medeverdachten vooraf hebben afgesproken geweld te gebruiken bij de diefstal, zodat er geen sprake is van zogenaamd vol opzet. De rechtbank komt echter wel tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het geweld en overweegt daartoe dat mensen doorgaans niet zonder weerstand of verzet hun spullen onvrijwillig aan een ander afstaan, zodat te verwachten is dat daarbij geweld of dreiging met geweld wordt toegepast. Er bestond dan ook een aanmerkelijke kans dat er geweld zou worden gebruikt bij de diefstal. Door het plan op te vatten om vapes van iemand af te pakken zonder daarvoor te betalen, hebben verdachte en de medeverdachten de aanmerkelijke kans dat er geweld zou worden gebruikt op het moment dat dat plan werd uitgevoerd, bewust aanvaard.
Medeplegen
De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger. Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking met één of meer anderen vereist. Een bewuste en nauwe samenwerking kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid van de verdachte ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Zij hebben immers samen het plan opgevat om de vapes van [slachtoffer 1] te stelen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft vervolgens een afspraak met hem gemaakt en is, samen met een onbekend gebleven persoon, naar aangevers toe gegaan. Verdachte is op dat moment, samen met een aantal anderen, een eindje verderop gaan staan, naar eigen zeggen als back-up. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de vapes van [slachtoffer 1] afgepakt en vervolgens is er tussen aangevers, medeverdachte [medeverdachte 1] en de onbekend gebleven persoon een vechtpartij ontstaan. Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte 1] horen schreeuwen en is toen, gevolgd door een aantal andere verdachten, naar de vechtpartij toe gerend. Zij hebben vervolgens ook geweld gebruikt tegen de aangevers. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij [slachtoffer 1] twee keer heeft geslagen. Bovendien zijn de vapes na de vechtpartij onder de verdachten verdeeld. Gelet op al deze handelingen, kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank overweegt verder dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat ook de telefoon van [slachtoffer 1] is weggenomen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 2 januari 2025 te Heerenveen op de openbare weg tezamen en in vereniging met anderen, vapes die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) plotseling die vapes uit de handen van die [slachtoffer 1] te grissen en met die vapes ervandoor te gaan en meermalen en met kracht die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op en/of tegen het hoofd en op en/of tegen het lichaam te slaan en te schoppen en die [slachtoffer 1] naar de grond te werken en vervolgens wederom op en/of tegen zijn hoofd en op en/of tegen zijn lichaam te schoppen en te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 4 dagen, met aftrek van het voorarrest, en een werkstraf van 120 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat aan verdachte een werkstraf van 80 tot 120 uren zou kunnen worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 8 april 2026, het strafblad van verdachte, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 2 januari 2025 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld. Verdachte heeft, samen met een aantal anderen, het plan opgevat om aangever [slachtoffer 1] te beroven van de vapes die hij te koop aanbood. Een medeverdachte heeft een afspraak met aangever gemaakt en is samen met een onbekend gebleven persoon naar [slachtoffer 1] en zijn vader toe gegaan, terwijl verdachte en een aantal anderen op een afstandje stonden te wachten. Een medeverdachte heeft de vapes vervolgens van [slachtoffer 1] afgepakt waarna er een vechtpartij is ontstaan tussen aangevers, de medeverdachte en de onbekend gebleven persoon. Op enig moment hebben verdachte en de anderen zich ook gemengd in het gevecht. Verdachte heeft daarbij geweld gebruikt.
Het onderhavige feit betreft een zeer ernstig feit, dat voor de aangevers ontzettend beangstigend moet zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een grove inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel en het eigendomsrecht van de aangevers. Daarbij komt dat dit soort feiten bijdragen aan de in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, zeker omdat het geweld in het openbaar is gepleegd en anderen daar getuige van zijn geweest. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een geweldsfeit.
Persoon van de verdachte
De Raad heeft een rapport opgemaakt over verdachte. Uit dat rapport volgt dat de voorlopige hechtenis van verdachte per 31 januari 2025 is geschorst waardoor verdachte zich al meer dan een jaar aan schorsingsvoorwaarden dient te houden. Hoewel de schorsing in het begin stroef verliep, heeft verdachte zich goed weten te herpakken. Verdachte heeft over het algemeen goed meegewerkt aan de schorsingsvoorwaarden waardoor er ook een aantal voorwaarden zijn opgeheven. Uit het rapport volgt verder dat de kans op herhaling wordt ingeschat als heel laag en dat er veel beschermende factoren zijn. Verdachte heeft betrokken ouders, dagbesteding, een pro-sociaal netwerk en een adequate vrijetijdsbesteding. De Raad adviseert de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf aan verdachte op te
leggen zodat verdachte ervaart dat zijn gedrag consequenties heeft en hij verantwoordelijkheid kan nemen voor zijn gedrag.
Op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig feit. Voor dit soort feiten wordt in beginsel dan ook vaak een jeugddetentie opgelegd. De rechtbank zal dat in deze zaak echter niet doen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst met ingang van 31 januari 2025 en dat de zaak pas op 23 april 2026 inhoudelijk op zitting is behandeld. Verdachte heeft zich dan ook meer dan een jaar aan de schorsingsvoorwaarden moeten houden. Dit betekent dat de vrijheid van verdachte voor langere tijd in behoorlijke mate is beperkt. De rechtbank acht dit zeer onwenselijk in het geval van een minderjarige en zal hier dan ook in strafmatigende zin rekening mee houden. Daartegenover staat dat de rechtbank in strafverzwarende zin rekening houdt met het feit dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan om vapes te stelen, waarbij het gebruik van fors geweld tegen de aangevers niet is geschuwd door verdachte en de medeverdachten. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met de rol die verdachte in het geheel heeft gespeeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het passend om een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een forse werkstraf, conform de eis van de officier van justitie, aan verdachte op te leggen. Dit betekent dat de rechtbank een jeugddetentie van 4 dagen, met aftrek van het voorarrest, en een werkstraf van 120 uren aan verdachte oplegt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een jeugddetentie voor de duur van 4 dagen.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van
60 dagenzal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S.T. Kooistra en mr.
H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 mei 2026.