Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2169

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
18-015985-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal met geweld met jeugddetentie en taakstraf

Op 2 januari 2025 heeft verdachte samen met anderen vapes gestolen van aangever [slachtoffer 1] in Heerenveen, waarbij geweld is gebruikt tegen aangevers. Verdachte maakte via Snapchat een afspraak en was aanwezig bij de diefstal en het daaropvolgende geweld.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte medepleger is van de diefstal met geweld, waarbij hij de vapes afpakte en aangevers sloeg en schopte. Er was sprake van een vooropgezet plan en nauwe samenwerking met medeverdachten. Verdachte ontkende het geweld, maar verklaringen van aangevers en medeverdachten bevestigen zijn betrokkenheid.

De rechtbank oordeelt dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het geweld, omdat het gebruik van geweld te verwachten was bij het stelen van de vapes. Verdachte wordt vrijgesproken van het wegnemen van een mobiele telefoon, omdat dat niet bewezen is.

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank mee dat verdachte minderjarig is, dat zijn voorlopige hechtenis geschorst was sinds januari 2025 en dat hij zich goed heeft gehouden aan de voorwaarden. Gezien de ernst van het feit legt de rechtbank een jeugddetentie van 17 dagen en een taakstraf van 150 uur op, conform de eis van het openbaar ministerie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 17 dagen jeugddetentie en 150 uur taakstraf voor medeplegen van diefstal met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-015985-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 15 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Versluis, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Heerenveen op de openbare weg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een of meer) vapes en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) plotseling/onverhoeds die vapes en/of telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te grissen en/of met die vapes en/of telefoon ervandoor te gaan en/of meermalen en/of met kracht die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of die [slachtoffer 1] naar de grond te werken en/of (vervolgens) (wederom) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de aangiften, de verklaringen van verdachte, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld. Verdachte heeft een afspraak gemaakt met aangever [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) voor het kopen van vapes. Verdachte was niet van plan om voor de vapes te betalen. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten naar aangevers toe gegaan en heeft verdachte de vapes van [slachtoffer 1] afgepakt. Toen verdachte ervandoor wilde gaan met de vapes, is er een gevecht ontstaan tussen de verdachten en de aangevers. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen kan bewezen worden dat verdachte, ondanks zijn ontkennende verklaring, ook geweld heeft gebruikt tegen de aangevers door hen
te slaan. Daarnaast heeft verdachte de dozen met vapes van [slachtoffer 1] afgepakt, ook deze handeling levert een diefstal met geweld op. Dat er sprake was van een vooropgezet plan om de vapes te stelen impliceert al dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het plegen van geweld. Het is immers te verwachten dat de vapes niet zomaar vrijwillig worden afgestaan en dat er verzet valt te verwachten dat doorbroken moet worden. Tot slot heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Er is een gezamenlijk plan gemaakt. Verdachte is vervolgens naar de afgesproken locatie gegaan, was daar fysiek aanwezig en heeft geweld gebruikt. Verdachte heeft dan ook een significante bijdrage geleverd aan het geweld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de diefstal gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft die diefstal bekend. Verdachte dient wel te worden vrijgesproken van de geweldscomponent die ten laste is gelegd. Verdachte ontkent dat hij geweld heeft gepleegd. Aangevers verklaren daarentegen wel dat verdachte één van de personen is geweest die geweld tegen hen heeft gepleegd. Er is echter sprake geweest van een zeer chaotische situatie. Het is dan ook de vraag of aangever [slachtoffer 1] verdachte wel kon herkennen. Daarnaast lopen de verklaringen van aangevers ten aanzien van de herkenning uiteen. Ook volgt uit de verklaring van getuige [getuige 1] dat verdachte geen geweld heeft toegepast. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft wel verklaard dat verdachte geweld heeft gepleegd maar aan die verklaring dient geen waarde te worden gehecht, gelet op de persoon van de medeverdachte en gelet op het feit dat hij duidelijk liegt in zijn eigen verklaring. Uit het dossier blijkt daarnaast niet dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het plegen van geweld door andere personen. Dat de groep, die verderop stond te wachten, uiteindelijk geweld heeft gepleegd kan verdachte niet worden aangerekend. Vooraf is niet besproken dat er geweld zou worden gebruikt. Dit is dan ook een spontane actie geweest. Verdachte heeft zich daarnaast gedistantieerd van de situatie nadat hij de vapes in zijn bezit had.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Het klopt dat er een beroving heeft plaatsgevonden op 2 januari 2025 in Heerenveen. Ik was die dag met een groep jongens en één van de jongens kwam met het idee om vapes te stelen. Ik was die dag onder andere met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam] . Er waren nog meer jongens bij. Ik heb toen een afspraak gemaakt met [slachtoffer 1] (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1] ). We zijn er met een groep heen gegaan. Ik ben samen met nog een jongen naar [slachtoffer 1] en zijn vader (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2] )gelopen. We hadden afgesproken dat de andere jongens in de buurt zouden staan. Dat waren vijf jongens. Ik had het geld bij me. Het klopt dat het plan was om de vapes te stelen en er niet voor te betalen. Ik heb het geld laten zien aan [slachtoffer 1] en zijn vader. Ik heb toen de vapes afgepakt. Het klopt dat er daarna meer jongens bij zijn gekomen. Iedereen heeft na de tijd drie vapes gekregen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 3 januari 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025002413 van 26 mei 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik had contact met het Snapaccount [accountnaam] . Hij wilde de vapes hebben. [verdachte] kwam toen met het voorstel om om 21:00 uur bij de Rinkelbom te zijn. Ik was samen met mijn vader
(de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2] ).Ik zag [verdachte] aan komen lopen met nog iemand. Ik had de
dozen met vapes vast. Ik zag dat hij het geld terugtrok en dat hij het op een rennen zette. Ik zag dat mijn vader hem vastpakte bij zijn arm. Vervolgens zag ik dat [verdachte] mijn vader begon te slaan. Ik zag dat [verdachte] met zijn arm een zwaaiende beweging naar mijn vader zijn hoofd maakte. Ik zag ook dat [verdachte] mijn vader een paar keer op zijn hoofd raakte. Ik zag dat die andere jongen ook naar mijn vader ging. Ik hield hem tegen. Toen zag en voelde ik dat die jongen mij begon te slaan en schoppen. Ik voelde dat ik een klap op mijn achterhoofd kreeg. Toen hoorde ik [verdachte] roepen “boys, boys, helpen, nu”. Toen zag ik dat er ineens nog vijf man aan kwamen. Ik zag dat die vijf met mijn vader begonnen te vechten. [verdachte] en die andere jongen gingen vervolgens op mij. Ik werd van voor en van achter geslagen. Toen lieten ze mij struikelen en toen ik op de grond lag werd ik door [verdachte] en die andere jongen tegen mijn hoofd getrapt en er werd in mijn zij geschopt. De jongen die op de afspraak kwam herkende ik heel duidelijk als de [verdachte] die ik op Google had gevonden en die ik in een [vereniging] tenue zag.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 3 januari 2025, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer
2] :
U houdt mij voor dat ik in mijn aangifte heb aangegeven dat wij zijn gaan zoeken op internet en we uitkwamen bij [verdachte] en dat wij hem herkennen als degene die bij de eerste twee personen was die ons aanspraken om de deal te sluiten. Ja. [verdachte] rende er met de vapes vandoor. Ik kon [verdachte] grijpen. [verdachte] begon mij te slaan in mijn gezicht. Hij sloeg met zijn vuist tegen mijn rechterwang. Die tweede jongen pakte mij vervolgens ook. Toen was er een hoop geschreeuw en toen kwamen er vijf jongens aanrennen. Mijn zoon lag op de grond en [verdachte] en die andere jongen lagen bovenop hem en schopten hem. Die andere vijf kwamen op mij afrennen. Ze vielen mij met zijn vijven aan. Ik stond met de rug tegen de auto aan.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 30 april 2025, opgenomen op pagina 250 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] :
U vraagt mij wie er heeft geslagen. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben geslagen.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte zich op 2 januari 2025 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld. Verdachte heeft samen met anderen het plan opgevat om vapes te stelen van aangever [slachtoffer 1] . Verdachte is degene geweest die via Snapchat een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer 1] . Vervolgens zijn verdachte en de anderen naar de afgesproken plek gegaan, waarbij verdachte en een onbekend gebleven persoon naar [slachtoffer 1] en zijn vader toe zijn gelopen. De rechtbank stelt vast dat er in ieder geval vijf andere personen iets verderop stonden te wachten. Na een kort gesprek met aangevers heeft verdachte een deel van de vapes van [slachtoffer 1] afgepakt en probeerde hij weg te komen. Aangever [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] heeft verdachte tegen kunnen houden, waarna er een vechtpartij is ontstaan tussen beide aangevers, verdachte en de onbekend gebleven persoon. Na enige tijd zijn ook de andere vijf personen, die verderop stonden te wachten, hierbij gekomen en hebben ook zij zich in het gevecht gemengd.
Ondanks dat verdachte heeft ontkend dat hij geweld heeft gebruikt tegen aangevers, is de rechtbank van oordeel dat uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen voldoende blijkt dat verdachte wel degelijk geweld heeft gepleegd tegen aangevers. Beide aangevers hebben verdachte immers herkend als één van de personen die geweld tegen hen heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daarbij dat uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat hij contact heeft gehad via Snapchat met een account met de naam [accountnaam] . Verdachte bekent dat hij via Snapchat contact heeft gehad met [slachtoffer 1] en dat hij degene is geweest die een afspraak met hem heeft gemaakt. Verdachte bekent ook dat hij één van de twee personen is geweest die als eerst naar aangevers toe is gelopen. Hij heeft vervolgens even met aangevers gesproken en het geld laten zien. Op dat moment was er nog geen sprake van een chaotische situatie waardoor aangevers verdachte mogelijk niet goed herkend zouden kunnen hebben. De rechtbank
overweegt verder dat aangevers na de diefstal op internet hebben gezocht op de naam [verdachte] . Zij kwamen toen uit bij [verdachte] en zagen onder meer dat hij op fotos een tenue van [vereniging] droeg. Aangevers herkenden de persoon op de fotos als de persoon die het gesprek met hen heeft gevoerd en de vapes heeft afgepakt. Verdachte heeft ook bekend dat hij de persoon is geweest die het gesprek met aangevers heeft gevoerd en de vapes heeft afgepakt. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij bij [vereniging] voetbalt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de herkenning van verdachte door de aangevers. De verklaringen van aangevers worden tevens bevestigd door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] . Ook hij heeft verklaard dat verdachte heeft geslagen. De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat uit de getuigenverklaring van [getuige 1] zou blijken dat verdachte geen geweld heeft gepleegd. Zij verklaart immers dat zij niet heeft gezien wat de twee personen die als eerste bij aangevers waren, hebben gedaan. Zij verklaart niet dat deze personen geen geweld hebben gebruikt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte aangevers heeft geschopt en geslagen. De rechtbank overweegt verder dat verdachte daarnaast de dozen vapes van [slachtoffer 1] heeft afgepakt. Ook deze handeling, waarvoor enige krachtsbeweging nodig is, kan naar het oordeel van de rechtbank als een geweldshandeling worden gekwalificeerd.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte en de medeverdachten vooraf hebben afgesproken geweld te gebruiken bij de diefstal, zodat er geen sprake is van zogenaamd vol opzet. De rechtbank komt echter wel tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het geweld en overweegt daartoe dat mensen doorgaans niet zonder weerstand of verzet hun spullen onvrijwillig aan een ander afstaan, zodat te verwachten is dat daarbij geweld of dreiging met geweld wordt toegepast. Er bestond dan ook een aanmerkelijke kans dat er geweld zou worden gebruikt bij de diefstal. Door het plan op te vatten om vapes van iemand af te pakken zonder daarvoor te betalen, hebben verdachte en de medeverdachten de aanmerkelijke kans dat er geweld zou worden gebruikt op het moment dat dat plan werd uitgevoerd, bewust aanvaard.
Medeplegen
De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger. Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking met een ander vereist. Een bewuste en nauwe samenwerking kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid van de verdachte ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Zij hebben immers samen het plan opgevat om de vapes van [slachtoffer 1] te stelen. Verdachte heeft vervolgens een afspraak met hem gemaakt, is naar aangevers toe gegaan met nog een persoon, heeft net gedaan alsof hij geld zou betalen voor de vapes en heeft de vapes vervolgens afgepakt. Toen het vervolgens misging, heeft verdachte, samen met anderen, geweld gepleegd tegen aangevers.
Bovendien zijn de vapes na de vechtpartij onder de verdachten verdeeld. Gelet op al deze handelingen, kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat ook de telefoon van [slachtoffer 1] is weggenomen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 2 januari 2025 te Heerenveen op de openbare weg tezamen en in vereniging met anderen, vapes die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) plotseling die vapes uit de handen van die [slachtoffer 1] te grissen en met die vapes ervandoor te gaan en meermalen en met kracht die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op en/of tegen het hoofd en op en/of tegen het lichaam te slaan en te schoppen en die [slachtoffer 1] naar de grond te werken en vervolgens wederom op en/of tegen zijn hoofd en op en/of tegen zijn lichaam te schoppen en te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 17 dagen, met aftrek van het voorarrest, en een werkstraf van 150 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat er een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest opgelegd dient te worden.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 8 april 2026, het strafblad van verdachte, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 2 januari 2025 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld. Verdachte heeft, samen met een aantal anderen, het plan opgevat om aangever [slachtoffer 1] te beroven van de vapes die hij te koop aanbood. Verdachte heeft een afspraak met aangever gemaakt en is samen met een onbekend gebleven persoon naar aangever [slachtoffer 1] en zijn vader toe gegaan, terwijl de rest van de groep op een afstandje stond te wachten. Verdachte heeft de vapes van [slachtoffer 1] afgepakt en wilde ervandoor gaan met de vapes. Op dat moment is er een vechtpartij ontstaan tussen de aangevers, verdachte en de onbekend gebleven persoon, waarbij verdachte ook geweld heeft gebruikt tegen beide aangevers. Na enige tijd is ook de rest van de groep erbij gekomen en is er ook vanuit die groep geweld gepleegd tegen de aangevers. Verdachte heeft een deel van de vapes van aangever meegenomen. De vapes zijn nadien verdeeld onder de verdachten.
Het onderhavige feit betreft een zeer ernstig feit, dat voor de aangevers ontzettend beangstigend moet zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een grove inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel en het eigendomsrecht van de aangevers. Daarbij komt dat dit soort feiten bijdragen aan de in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, zeker omdat het geweld in het openbaar is gepleegd en anderen daar getuige van zijn geweest. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De Raad heeft een rapport opgemaakt over verdachte. Uit dat rapport volgt dat de houding van verdachte ten aanzien van het delict gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis is veranderd. Verdachte heeft de tijd gehad om op zijn eigen gedrag te reflecteren en ziet in dat het delict veel impact heeft gehad op de slachtoffers. Verdachte wil verantwoordelijkheid nemen voor zijn gedrag. De voorlopige hechtenis van verdachte is per 31 januari 2025 geschorst. Dat betekent dat verdachte al meer dan een jaar in een schorsing loopt. Hoewel de schorsing in het begin stroef verliep, heeft verdachte zich over het algemeen goed gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Uit het rapport volgt verder dat de kans op herhaling wordt ingeschat als heel laag en dat er veel beschermende factoren zijn. Verdachte heeft betrokken ouders, hij heeft dagbesteding en hij vult zijn vrije tijd op een adequate manier in. De Raad adviseert de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf aan verdachte op te leggen. Door een werkstraf op te leggen ervaart verdachte dat zijn gedrag consequenties heeft en kan hij verantwoordelijkheid nemen voor zijn gedrag.
Op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig feit. Voor dit soort feiten wordt in beginsel dan ook vaak een jeugddetentie opgelegd. De rechtbank zal dat in deze zaak echter niet doen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 31 januari 2025 is geschorst en dat de zaak pas op 23 april 2026 inhoudelijk op zitting is behandeld. Verdachte heeft zich dan ook meer dan een jaar aan de schorsingsvoorwaarden moeten houden. Dit betekent dat de vrijheid van verdachte voor langere tijd in behoorlijke mate is beperkt. De rechtbank acht dit zeer onwenselijk in het geval van een minderjarige en zal hier dan ook in strafmatigende zin rekening mee houden. Daartegenover staat dat de rechtbank in strafverzwarende zin rekening houdt met het feit dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan om vapes te stelen, waarbij het gebruik van fors geweld tegen de aangevers niet is geschuwd door verdachte en de medeverdachten. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met de rol die verdachte in het geheel heeft gespeeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het passend om een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een forse werkstraf, conform de eis van de officier van justitie, aan verdachte op te leggen. Dit betekent dat de rechtbank een jeugddetentie van 17 dagen, met aftrek van het voorarrest, en een werkstraf van 150 uren aan verdachte oplegt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 17 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van
75 dagenzal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S.T. Kooistra en mr.
H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 mei 2026.