Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2151

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
LEE 26/1476
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 8:84 AwbOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van de Opiumwet

De burgemeester van Groningen heeft besloten een woning te sluiten voor zes maanden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid middelen op lijst I van de Opiumwet. De sluiting zou aanvankelijk ingaan op 11 mei 2026, maar is uitgesteld in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Op 20 mei 2026 behandelde de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van de bewoner van de woning. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten niet ter discussie stond. De voorzieningenrechter achtte het aannemelijk dat vanuit de woning drugshandel plaatsvindt, mede op basis van meldingen over veelvuldige korte bezoekjes.

Hoewel niet alle meldingen direct aan de verzoeker of drugshandel gerelateerd waren, vond de voorzieningenrechter de sluiting geschikt en noodzakelijk. De evenredigheid van de maatregel werd besproken, waarbij werd meegewogen dat de verzoeker geen bijzondere binding met de woning heeft en geen wezenlijke gedragsverandering heeft getoond na het besluit van 30 april 2026.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en bepaalde dat de sluiting niet eerder dan 22 mei 2026 om 14.00 uur kan plaatsvinden. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en tegen de uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen en de sluiting kan doorgang vinden vanaf 22 mei 2026 om 14.00 uur.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/1476
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 op het het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1 uit plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.T. van Dalen)
en

de burgemeester van Groningen

(gemachtigde: A. Brouwer)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
Stichting De Huismeesters, de verhuurster
(gemachtigde: J. Willems en mr. I. van Ast)

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat de sluiting doorgang kan vinden, maar niet eerder dan vrijdag 22 mei 2026, om 14.00.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening van [naam 1] gericht tegen de sluiting van de woning plaatselijk bekend [adres] (de woning).
1.1.
Bij besluit van 30 april 2026 heeft de burgemeester aan [naam 1] meegedeeld dat hij heeft besloten om de woning te sluiten voor een periode van zes maanden en dat de sluiting begint op 11 mei 2026 om 13:00 uur en eindigt op 11 november 2026 om 13:00. Bij emailbericht verzonden op 8 mei 2026, om 10.15 is medegedeeld dat de woning in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter nog niet zal worden gesloten.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , zijn gemachtigde, verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en de derde-partij vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Voor de derde-partij is ook verschenen [naam 2] , buurtbeheerder.
2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
3. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot deze beslissing is gekomen.
3.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat een handelshoeveelheid middelen is aangetroffen die voorkomen op lijst I, behorend bij de Opiumwet, de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten is niet in geschil.
3.2.
De voorzieningenrechter heeft met partijen gesproken over het besluit van de burgemeester om de woning te sluiten, in het bijzonder de geschiktheid van de sluiting en de noodzakelijkheid daarvan.
3.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het dossier voldoende meldingen bevat op basis waarvan het aannemelijk is dat er vanuit de woning ook wordt gehandeld in die middelen. Een voorbeeld daarvan is dat er veel korte bezoekjes aan de woning zijn gezien. De voorzieningenrechter laat in het midden of [naam 1] daarin een rol speelt of heeft gespeeld. Weliswaar hebben niet alle meldingen betrekking op [naam 1] of drugshandel, maar er zijn wel genoeg meldingen om de burgemeester te volgen in zijn standpunt dat sluiting in dit geval geschikt en noodzakelijk is.
3.4.
Ter zitting is ook gesproken over de evenredigheid van de maatregel. In dat verband is van belang dat niet is gebleken van een bijzondere binding van [naam 1] met de woning. Daarnaast is op de zitting gesproken over de behoefte van [naam 1] om een tweede kans te krijgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [naam 1] die kans al verspeeld heeft. Ashre heeft nog geen begin gemaakt om zijn leven te beteren, ook na het besluit van 30 april 2026 is er geen wezenlijke verandering geconstateerd rond de woning.
4. Voor een proceskostenvergoeding of teruggave van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Partijen zijn erop gewezen dat tegen de mondelinge uitspraak geen rechtsmiddelen openstaan.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026 door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is verhinderd het proces-verbaal te ondertekenen (artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:67, vierde lid, van de Awb).
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen de mondelinge uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.