Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2115

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C 18/256128 KG RK 26/304
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kennelijk ongegrond verklaard wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende belangenverstrengeling

De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland behandelde op 8 mei 2026 een verzoek tot wraking van een rechter in een bestuursrechtelijke zaak. Verzoeker stelde dat er sprake was van belangenverstrengeling en andere ondeugdelijke omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter zouden aantasten.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op basis van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6 EVRM Pro. Hierbij geldt een vermoeden van onpartijdigheid van de rechter, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet voldoende.

Omdat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden aanvoerde die de onpartijdigheid van de rechter aantonen, oordeelde de wrakingskamer dat het verzoek kennelijk ongegrond was. Een mondelinge behandeling werd achterwege gelaten en het verzoek werd afgewezen. De zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C 18/256128 KG RK 26/304
Beslissing van 8 mei 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. H.J. Bastin,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1. Het verloop van de procedure blijkt uit het schriftelijke wrakingsverzoek van
1 mei 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de behandeling van de zaak met
zaaknummer [nummer] .
2.2
In zijn schriftelijke verzoek tot wraking heeft verzoeker aangegeven dat hij
voor deze zaak een uitnodiging heeft gekregen voor de verzetzitting van 26 mei 2026. Wegens belangenverstrengeling en andere ondeugdelijke zaken die ook met de WOO-zaak verbonden zijn en waarbij de rechter betrokken is geweest heeft verzoeker de rechter gewraakt.

3.De beoordeling

3.1
Naar het oordeel van de wrakingskamer is sprake van een kennelijk ongegrond verzoek en daarom laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub a, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Hierna legt de wrakingskamer uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3.2
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
3.3
De wrakingskamer overweegt dat aan het verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
  • bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
  • beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
  • verzoeker en
  • de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. L. Mulder, rechters in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
de griffier de voorzitter
(de griffier is buiten staat deze beslissing
mede te ondertekenen)
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.