De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland behandelde op 13 mei 2026 een wrakingsverzoek van een verzoeker tegen mr. G. Laman, rechter in dezelfde rechtbank. Verzoeker stelde dat de rechter vooringenomen was en procedurele fouten maakte, zoals het niet ondervragen van belangrijke informanten en het niet honoreren van een uitstelverzoek. Tevens werd aangevoerd dat de rechter het morele kompas van de kinderrechter zou manipuleren.
De rechter reageerde schriftelijk en gaf aan dat uit het verzoek geen feiten of omstandigheden blijken die de onpartijdigheid kunnen schaden. De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden tot wraking kunnen leiden. Het verzoek ontbeerde concrete feiten of zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.
De wrakingskamer stelde vast dat de aangevoerde procesbeslissingen niet als blijk van vooringenomenheid kunnen worden gezien, mede vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en werd de zaak voortgezet in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het verzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.