Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2096

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
11836668 BU VERZ 25-1937
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing OvJ wegens schending hoorplicht bij vasthouden mobiel apparaat tijdens fietsen

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het fietsen op 14 januari 2025 in Groningen. Betrokkene stelde dat hij de telefoon pas op de stoep oppakte en betwistte de overtreding. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant, die betrokkene met de telefoon aan het oor zag fietsen, voldoende bewijs vormt voor de overtreding. Betrokkene heeft onvoldoende twijfel gezaaid over deze verklaring. Wel werd vastgesteld dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden, omdat betrokkene had verzocht te worden gehoord maar dit niet is gebeurd.

De kantonrechter vernietigde daarom de beslissing van de officier van justitie wegens deze procedurele schending, maar verklaarde het beroep tegen de boete inhoudelijk ongegrond. De boete blijft gehandhaafd omdat er geen reden is voor matiging en de schending van de hoorplicht niet structureel was.

Uitkomst: De beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar het beroep tegen de boete wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271436039
zaaknummer: 11836668 BU VERZ 25-1937
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 12 mei 2026
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] .

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De gedraging waarvoor de boete is opgelegd is: R545 – ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 14 januari 2025, om 10:52 uur, in de Floresstraat in Groningen, met een fiets. De opgelegde boete bedraagt € 169,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 12 mei 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was mr. F.F. Buddingh aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie.
1.3.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Standpunten

2. Betrokkene geeft aan dat hij pas op de stoep de telefoon heeft opgenomen. Daar werd hij staande gehouden. Hij schrijft dat het kan zijn dat betrokkene nog niet geheel op de stoep was of stilstond toen hij de telefoon greep. Betrokkene stelt dat hij heeft aangegeven te willen worden gehoord door de officier van justitie, maar daar is niet op gereageerd.
3. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden, maar dat het beroep inhoudelijk ongegrond is.
Beslissing
4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij vernietigt de beslissing van de officier van justitie, maar verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Overwegingen
5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
6. De verbalisant heeft verklaard dat hij betrokkene met de telefoon aan het oor heeft zien fietsen. Tijdens de waarneming heeft hij duidelijk naar betrokkene kunnen kijken en bij de staandehouding herkende hij de telefoon. Bij de staandehouding heeft betrokkene verklaard dat hij zijn telefoon pakte en de stoep op reed.
7. In de verklaring bij de staandehouding ziet de kantonrechter aanleiding om aan te nemen dat betrokkene inderdaad niet op de stoep reed of stilstond op het moment dat hij de telefoon pakte om deze op te nemen. Betrokkene heeft onvoldoende twijfel gezaaid over de verklaring van de verbalisant. De verkeersovertreding kan worden vastgesteld.
8. De kantonrechter ziet geen reden voor matiging van de boete in de aangevoerde omstandigheden.
9. De officier van justitie heeft de hoorplicht geschonden, aangezien betrokkene in zijn administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord maar dit niet is gebeurd. De kantonrechter zal de beslissing van de officier van justitie daarom vernietigen. Aangezien geen sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, blijft deze zonder gevolgen voor de hoogte van de boete.

Conclusie

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
  • vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
D.W. Veenstra, griffier mr. H.J. Bastin, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.