ECLI:NL:RBNNE:2026:207

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
18.005807.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 57 SrArt. 241 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en oplegging ongemaximeerde tbs na feitelijke aanrandingen

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor drie seksuele aanrandingen gepleegd tegen vrouwelijke begeleiders, maar hem ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De feiten betreffen twee gevallen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid en één opzetaanranding, gepleegd in 2023 en 2024.

Psychologisch en psychiatrisch onderzoek toonde aan dat verdachte leed aan een matige verstandelijke beperking, ADHD, autismespectrumstoornis, atypische psychotische klachten en ernstige gedragsproblemen, waardoor hij geen controle had over zijn gedrag en emoties. De rechtbank volgde het advies van deskundigen en achtte verdachte niet strafrechtelijk aansprakelijk.

De rechtbank legde een ongemaximeerde tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op, gelet op het hoge recidiverisico en de ernst van de feiten. De maatregel is gericht op langdurige behandeling en risicobeheersing binnen een beveiligde setting.

De vordering van de benadeelde partij is deels toegewezen voor materiële en immateriële schade, met uitzondering van een onzekere inkomensschade vanaf december 2025, die niet-ontvankelijk werd verklaard. Verdachte is veroordeeld tot betaling van een bedrag van €14.115, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt een ongemaximeerde tbs-maatregel opgelegd; vordering benadeelde partij wordt deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.005807.25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18.145611.23 en 18.237603.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , thans verblijvende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2026. Verdachte is verschenen door middel van een beeld- en geluidsverbinding, bijgestaan door mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Nijmegen, eveneens aanwezig middels beeld- en geluidsverbinding. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door
mr. R.D. van Essen.
Tenlastelegging
Onder parketnummer 18.145611.23
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 1] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid (telkens) uit het onverhoeds en van achteren betasten van en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] op verdachtes bed zat en met de rug naar verdachte gekeerd was, en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] een zodanig bedreigende en/of overweldigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken.
Onder parketnummer 18.237603.24
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 januari 2024 te [plaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handelingen, te weten het betasten van en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid (telkens) uit het onverhoeds betasten van en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] en/of een zodanig bedreigende en/of overweldigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken.
Onder parketnummer 18.005807.25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 juli 2024 te [plaats] , althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 3] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het (onverhoeds) betasten van en/of knijpen in de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 3] ,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummers 18.145611.23, 18.237603.24 en 18.005807.25 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 18.145611.23
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 maart 2023, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023056133 (NNRBC23084 PORTO) d.d. 7 juni 2023, inhoudend de verklaring van
[naam 1] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 maart 2023, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .
Ten aanzien van parketnummer 18.237603.24
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2024, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024003573 (NNRBC 24-022)
d.d. 4 april 2024, inhoudend de verklaring van [naam 2] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d.
24 januari 2024, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] .
Ten aanzien van parketnummer 18.005807.25
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 januari 2026;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 juli 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024186523 (NNRBC24 Guatemala) d.d. 30 december 2024, inhoudend de verklaring van
[naam 2] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d.
26 juli 2024, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder parketnummers 18.145611.23, 18.237603.24 en 18.005807.25 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer 18.145611.23:
hij op 26 februari 2023 te [plaats] door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het knijpen in de borsten van die [slachtoffer 1] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds en van achteren knijpen in de borsten van die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] op verdachtes bed zat en met de rug naar verdachte gekeerd was, en voor die [slachtoffer 1] een zodanig overweldigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling met verdachte kon onttrekken.
Ten aanzien van parketnummer 18.237603.24:
hij op 1 januari 2024 te [plaats] , door een feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] en een zodanig overweldigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling met verdachte kon onttrekken.
Ten aanzien van parketnummer 18.005807.25:
hij op 11 juli 2024 te [plaats] , met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten het onverhoeds knijpen in de borsten en vagina van die [slachtoffer 3] , terwijl hij wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 18.145611.23:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Ten aanzien van parketnummer 18.237603.24:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Ten aanzien van parketnummer 18.005807.25:
opzetaanranding.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op basis van de bevindingen van de psycholoog en de psychiater in het Pro Justitia-rapport van 24 april 2025 op het standpunt gesteld dat kan worden geconcludeerd dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte is door zowel een psycholoog als een psychiater onderzocht. Naar aanleiding van deze onderzoeken is door GZ-psycholoog D.R. van der Velden en psychiater A. Gosker op 24 april 2025 een rapport uitgebracht.
Uit het rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke beperking matig van ernst, een zeer jong sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau, ADHD, een autismespectrumstoornis, atypische psychotische klachten en ernstige gedragsproblemen met structureel tekortschietende emotie- en impulsregulatie en agressiecontrole. De beschreven forse pathologie heeft zijn basis in een genetische afwijking, te weten PVNH9. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De drie ten laste gelegde feiten zijn te begrijpen vanuit zijn sociale en emotionele onrijpheid, zijn structureel tekortschietende impuls- en agressiecontrole en sterk tekortschietende copingvaardigheden.
Verdachte heeft hierdoor in het algemeen weinig tot geen vat op zijn eigen emoties, gedachten en gedragingen. De motieven die verdachte geeft voor zijn gedrag wisselen regelmatig en hij heeft een zeer kinderlijke kijk op de werkelijkheid. Verdachte is in het algemeen niet in staat de wereld adequaat in te schatten en baseert zijn gedragskeuzes op zijn kinderlijke, egocentrische visie op de werkelijkheid met een zeer beperkt realistisch inschattingsvermogen. Bij oplopende spanning neemt verdachte impulsief beslissingen of maakt hij volstrekt inadequate plannen. Het vermogen van verdachte om zijn gedrag op adequate wijze bij te sturen of te evalueren is bij oplopende spanning vrijwel nihil.
Gelet op het voorgaande en gezien het grote gebrek aan inzicht en controle over zijn eigen gedrag tijdens de ten laste gelegde feiten en zijn gebrekkige gewetensfunctie en empathische vermogens, adviseren de deskundigen om verdachte de ten laste gelegde feiten in zijn geheel niet toe te rekenen.
De rechtbank neemt de gemotiveerde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden
toegerekend. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder parketnummers 18.145611.23, 18.237603.24 en 18.005807.25 ten laste gelegde oplegging gevorderd van een niet-gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft eveneens gepleit voor oplegging van de maatregel tbs met verpleging van overheidswege.
Oordeel van de rechtbank
Bij de oplegging van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over verdachte opgemaakte rapportages, waaronder de Pro Justitia-rapportage d.d. 24 april 2025 en het rapport van de reclassering van het Leger des Heils d.d. 20 augustus 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan een feitelijke aanranding van de eerbaarheid en één keer aan opzetaanranding. Deze feiten heeft verdachte gepleegd ten opzichte van drie verschillende vrouwelijke hulpverleners die verdachte begeleidden in het kader van een aan hem opgelegde PIJ-maatregel. Verdachte heeft twee van deze vrouwelijke begeleiders op de kleding onverhoeds in hun borsten geknepen. Bij een derde vrouwelijke begeleider heeft verdachte op de kleding zowel in de borsten als in de vagina geknepen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij twee van deze feiten heeft gepleegd vanwege oplopende spanning in aanloop naar een verlengingszitting van de PIJ-maatregel. Hij was bang was dat zijn PIJ-maatregel zou worden beëindigd en dat hij in vrijheid zou worden gesteld. Naar eigen zeggen heeft hij deze feiten gepleegd om dit te voorkomen. Bij de derde vrouwelijke begeleider was er bij verdachte sprake van boosheid. Het is dan ook opmerkelijk dat verdachte deze feiten niet gepleegd lijkt te hebben vanuit zijn eigen seksuele behoefte, maar eerder vanuit zijn grote gebrek aan inzicht en controle over zijn eigen gedrag en zijn gebrekkige gewetensfunctie en empathische vermogens. Dit doet er echter niet aan af dat dergelijke feiten zeer grote gevolgen hebben gehad voor aangeefsters. Zoals blijkt uit de ter terechtzitting namens Trajectum en de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voorgelezen slachtofferverklaring en de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 3] hebben de gedragingen van verdachte zeer veel impact hebben gehad op aangeefsters. Zo is er sprake van (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid, angstige gevoelens en een aantasting van het levensgeluk. Dit terwijl zij als hulpverlener in staat zouden moeten zijn om veilig hun werk te kunnen doen. Verdachte heeft het vertrouwen van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit ernstig geschaad en in zijn algemeenheid een gevoel van onveiligheid gecreëerd voor deze vrouwen en andere (vrouwelijke) hulpverleners binnen de organisatie waar verdachte verblijft.
Motivering van de maatregel
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar wordt geacht, hetgeen betekent dat aan hem geen straf zal worden opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte de maatregel van tbs met een bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
Zoals blijkt uit de hiervoor besproken Pro Justitia-rapportage van de psycholoog en psychiater, bestond bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Beide deskundigen concluderen dat het recidiverisico op vergelijkbaar seksueel delictgedrag als bovengemiddeld wordt ingeschat en het recidiverisico op gewelddadig gedrag als zeer hoog. Binnen het huidige kader van de PIJ-maatregel en de huidige behandelcontext wordt het risico op recidive als matig ingeschat, maar zonder dit kader stijgt het risico naar zeer hoog. Door de deskundigen wordt daarom geadviseerd om een tbs met verpleging van overheidswege te overwegen, waarbij deze maatregel wordt uitgevoerd in de forensische zorg voor mensen met een verstandelijke beperking en forse gedragsproblematiek. Een gedwongen kader met een hoog beveiligingsniveau geeft de mogelijkheid om vanuit een sterk gekaderde, gestructureerde leefomgeving een passend ondersteunings- en risicomanagementplan op te tuigen. De verwachting van de deskundigen is dat gedwongen en langdurig toezicht vele jaren is aangewezen om een minimale gedragsverandering in te laten slijten en desnoods zeer kleine stappen te zetten naar een andere, passende woonvorm en het risico op recidive en probleemgedrag enigszins te verlagen.
Verdachte heeft ter terechtzitting meermalen te kennen gegeven dat hij graag wil dat aan hem de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd, mede omdat hij denkt dat hij ernstige strafbare feiten zal plegen op het moment dat hij in vrijheid zou worden gesteld. Hoewel zijn beweegredenen niet altijd eenduidig zijn, blijft zijn wens om binnen een beveiligde setting te verblijven als constante factor bestaan.
De rechtbank is gelet op het voorgaande met de psycholoog en psychiater van oordeel dat het noodzakelijk is om verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege op te leggen, omdat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen dit eist.
Ongemaximeerde tbs
De rechtbank overweegt dat de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak een ongemaximeerde tbs met verpleging van overheidswege de enige passende en aangewezen maatregel is en de rechtbank zal deze maatregel dan ook opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 32.535,00 ter vergoeding van materiële schade en
7.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vordering benadeelde partij.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij kan worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde stelpost die ziet op het verlies aan inkomen vanaf december 2025.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18.005807.25 bewezen verklaarde. De vordering, voor zover de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 juli 2024. Het gaat daarbij om de gevorderde materiële schade die ziet op het verlies aan inkomen in de periode 12 juli 2024 tot 1 december 2025 ter hoogte van 4.365,00,de kosten voor een EMDR-behandeling ter hoogte van 2.250,00 en de gevorderde en niet betwiste immateriële schade van 7.500,00.
Met betrekking tot de gevorderde stelpost die ziet op het verlies aan inkomen vanaf december 2025 is de rechtbank van oordeel dat de omvang van deze schade van veel, deels onzekere, factoren afhankelijk is. De rechtbank beschikt op dit moment over onvoldoende informatie om de hoogte van deze vordering te kunnen beoordelen en zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 241 en 246 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het onder parketnummers 18.145611.23, 18.237603.24 en 18.005807.25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart verdachte voor het bewezene
niet strafbaaren
ontslaat hem van alle rechtsvervolging
terzake daarvan.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Ten aanzien van parketnummer 18.005807.25:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
  • het bedrag van 14.115,00 (zegge: veertienduizendhonderdvijftien euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 14.115,00 (zegge: veertienduizendhonderdvijftien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 6.615,00 aan materiële schade en 7.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 95 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. A.S. Venema-Dietvorst en mr. M. Jannink, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2026.
Mr. Van der Werff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.