Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2025

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
12195489 \ VV EXPL 26-26
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming pand na rechtsgeldige huuropzegging ondanks investeringen huurder

De Kromme Keu huurt sinds 1 januari 2021 een pand van Wima Vastgoed, die het pand in 2021 heeft verworven. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd en bevat bepalingen over duur, verlenging en opzegging met een opzegtermijn van drie maanden.

Wima Vastgoed heeft de huur opgezegd per 31 december 2024, waarna in goed overleg de einddatum is verplaatst naar 29 december 2025. De Kromme Keu heeft investeringen van circa €50.000 tot €60.000 in het pand gedaan en verzocht om verlenging van de ontruimingstermijn, maar dit verzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.

Wima Vastgoed vordert ontruiming omdat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd en De Kromme Keu zonder recht of titel in het pand verblijft. De kantonrechter oordeelt dat Wima Vastgoed een spoedeisend belang heeft en dat de vordering in de bodemprocedure kans van slagen heeft. De ontruimingsverplichting is niet geschorst, en de gevorderde ontruiming wordt toegewezen met een termijn van twee weken na betekening. De investeringen van De Kromme Keu leiden niet tot een ander oordeel. De Kromme Keu wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Kromme Keu wordt veroordeeld tot ontruiming van het pand binnen twee weken na betekening van het vonnis.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 12195489 \ VV EXPL 26-26
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van
WIMA VASTGOED 2 B.V.,
te Winschoten,
eisende partij,
hierna te noemen: Wima Vastgoed,
gemachtigde: mr. R.P. van Boven,
tegen
BILJART STICHTING HOOGEVEEN DE KROMME KEU,
te Hoogeveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Kromme Keu,
gemachtigde: [bestuurder gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 april 2026,
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De Kromme Keu is een stichting die zich inzet voor de biljartsport en maatschappelijke activiteiten. [bestuurder gedaagde] is bestuurder van de stichting.
2.2.
Per 1 januari 2021 huurt De Kromme Keu het pand gelegen aan [adres] van [verhuurder] . De schriftelijke huurovereenkomst is door
[verhuurder] als verhuurder en [bestuurder gedaagde] als bestuurder van De Kromme Keu, ondertekend op 21 december 2020. Artikel 3 van Pro de huurovereenkomst luidt:
Duur, verlenging en opzegging
3.1
Deze huurovereenkomst gaat in op 1 januari 2021 en is aangegaan voor een periode van 1 jaar en loopt tot en met 31 december 2021.
3.2
Na het verstrijken van de in artikel 3.1 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst
behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door Huurder of Verhuurder in overeenstemming met artikelen 3.3 en 3.4 voortgezet voor een aansluitende periode van 1 jaar, derhalve tot 31 december 2022.
Deze huurovereenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van 1 jaar.
3.3
Beëindiging van deze huurovereenkomst vindt plaats door opzegging door Huurder aan Verhuurder of door Verhuurder aan Huurder met inachtneming van een termijn van 3 maanden.
3.4
Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.
2.3.
Op 1 juli 2021 heeft Ten Hoor de eigendom van het pand overgedragen aan Wima Vastgoed. Wima Vastgoed heeft [beheerder] B.V. (hierna: [beheerder] ) als beheerder ingeschakeld.
2.4. Bij brief van 14 augustus 2024 heeft [beheerder] namens Wima Vastgoed aan De Kromme Keu de huur opgezegd tegen 31 december 2024.
2.5.
Bij brief van 25 september 2024 heeft [beheerder] namens Wima Vastgoed aan De Kromme Keu, voor zover relevant, het volgende geschreven:
“(…)
Naar aanleiding van onze brief met huuropzegging verstuurd op 14 augustus 2024, hebben wij een afspraak met jou ingepland op locatie in Hoogeveen. (…)
In goed overleg met jou als huurder hebben wij de einddatum van de huurovereenkomst verplaatst naar31 december 2025(ipv 31 december 2024). De oplevering en sleuteloverdracht zijn verplaatst naar maandag29 december 2025 om 10:00 uur(…)”
2.6.
Bij e-mail van 23 december 2025 schrijft [bestuurder gedaagde] namens De Kromme Keu, voor zover relevant aan [beheerder] :
“Ik dien het gehuurde volgende weekte verlaten, ik heb voor meer dan 30.000 verbouwd aan het pand nieuwe vloeren laten storten en geheel opnieuw laten isoleren, in 2019
want toen ik hier kwam, kon je zo naar buiten kijken, en ja we zijn druk bezig met de gemeente voor een nieuwe plek en alles is in behandeling maar voor wij eruit gaan willen wij ons geld terug wat wij besteed hebben aan nieuwe gestorte vloeren en een gehele nieuwe isolatie aan de wanden, en nieuwe beplating. Ik heb een compleet fotoboek van A tot C. Wij zitten al in het pand sinds eind 2017 en officieel 2018. Ons is gezegd toen het verkocht werd dat er niet zou veranderen dat we hier gewoon konden blijven. Het verbouwen heeft ons echt veel geld gekost en we willen wel elders iets huren maar daar is geen geld voor. (…)”
2.7.
Bij verzoekschrift, ter griffie van deze rechtbank binnengekomen op 29 december 2025, heeft De Kromme Keu verzocht om de ontruimingstermijn van artikel 7:230a BW te verlengen met een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen termijn. Het verzoekschrift is gericht tegen de beheerder van het gehuurde, [beheerder] . De griffier heeft het verzoekschrift desgevraagd aan de gemachtigde van Wima Vastgoed doorgezonden, met de mededeling dat de zaak nog niet in behandeling is genomen omdat De Kromme Keu het griffierecht niet heeft betaald.
2.8.
Bij brief van 23 januari 2026 heeft de gemachtigde van Wima Vastgoed aan De Kromme Keu gesommeerd om het pand op 1 april 2026 te ontruimen. De Kromme Keu heeft daaraan geen gehoor gegeven.
2.9.
Het verzoek van De Kromme Keu ex artikel 7:230a BW is bij beschikking van 20 mei 2026, met zaaknummer / rekestnummer 12037504 / VZ VERZ 25-48, niet ontvankelijk verklaard.

3.Het geschil

3.1.
Wima Vastgoed vordert samengevat - ontruiming van het pand aan [adres] .
3.2.
Wima Vastgoed legt aan haar vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst met De Kromme Keu is geëindigd en dat de ontruiming is aangezegd, maar dat De Kromme Keu desondanks weigert om het pand te verlaten. Wima Vastgoed voert in de eerste plaats aan dat de huurovereenkomst met het afspreken van een ontruimingsdatum tussen partijen op basis van wederzijds goedvinden een einde heeft genomen. Daarnaast stelt zij dat De Kromme Keu het verzoekschrift ex artikel 7:230a BW tegen de verkeerde partij heeft gericht en het griffierecht onbetaald heeft gelaten. De ontruimingsverplichting van De Kromme Keu is gelet op een en ander niet geschorst, aldus Wima Vastgoed.
3.3.
De Kromme Keu voert verweer. De Kromme Keu voert aan dat zij het niet eens is met de beëindiging van de huur. De Kromme Keu heeft voor € 50.000,00 tot € 60.000,00 geïnvesteerd in het pand en op dit moment geen nieuw onderkomen, aldus De Kromme Keu.
3.4.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of Wima Vastgoed ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Wima Vastgoed stelt dat zij in het kader van herontwikkeling zelf over het pand wil kunnen beschikken. Er zijn plannen om het pand te slopen en deze plannen staan - in afwachting van de ontruiming - nu stil, aldus Wima Vastgoed. Het verblijven in andermans pand zonder recht of titel is bovendien onrechtmatig, wat ook een spoedeisend belang met zich meebrengt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Wima Vastgoed hiermee voldoende onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang.
4.2.
Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende maatregel is. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - terughoudendheid worden betracht.
4.3.
Niet in geschil is dat Wima Vastgoed de huurovereenkomst met De Kromme Keu rechtsgeldig heeft opgezegd en De Kromme Keu heeft aangezegd dat zij het gehuurde per 29 december 2025 leeg en ontruimd moest opleveren. Dat dit het geval is blijkt ook uit de e-mail van [bestuurder gedaagde] van 23 december 2025, waarin hij schrijft dat de De Kromme Keu het pand dan dient te verlaten en uit het door De Kromme Keu ingediende verzoek aan de rechtbank tot verlenging van de ontruimingstermijn.
4.4.
Artikel 7:230a BW bepaalt dat de huurder na de aangezegde ontruimingsdatum nog twee maanden ontruimingsbescherming geniet en binnen die termijn de kantonrechter kan verzoeken om die termijn te verlengen. De ontruimingsverplichting is geschorst totdat op dat verzoek is beslist. De Kromme Keu heeft het verzoek (tijdig) gedaan maar daarna nagelaten om het griffierecht te voldoen. Het verzoek van De Kromme Keu is inmiddels om die reden niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de ontruimingsverplichting niet meer is geschorst en dat De Kromme Keu zonder recht of titel in het pand verblijft.
4.5.
Wima Vastgoed hoeft het gebruik van haar pand na het einde de huurovereenkomst niet te dulden. De kantonrechter acht dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming van het bedrijfspand zal worden toegewezen. Daarom zal de gevorderde ontruiming worden toegewezen, zij het dat de ontruimingstermijn wordt bepaald op twee weken na betekening van dit vonnis. Dat De Kromme Keu dan (mogelijk) nog geen ander onderkomen heeft, is geen reden om een langere termijn in acht te nemen. Het is De Kromme Keu al sinds 2024 bekend dat Wima Vastgoed weer over het gehuurde wil beschikken en dat zij het pand eind 2025 zou moeten verlaten.
Dat De Kromme Keu meent dat zij vanwege door haar aangebrachte verbeteringen in het gehuurde nog geld tegoed heeft van Wima Vastgoed, wat laatstgenoemde overigens gemotiveerd betwist, leidt niet tot een ander oordeel. Dit maakt namelijk niet dat De Kromme Keu gebruik mag blijven maken van het pand.
4.6.
De Kromme Keu is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wima Vastgoed worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,65
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
577,00
Totaal
844,65

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt De Kromme Keu om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Wima Vastgoed zijn, en de ruimten in deze onroerende zaak leeg ontruimd en bezemschoon aan Wima Vastgoed ter beschikking te stellen, en de sleutels af te geven aan Wima Vastgoed,
5.2.
veroordeelt De Kromme Keu in de proceskosten van € 844,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.