ECLI:NL:RBNNE:2026:2019

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
26/1358
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.9 Regeling langdurige zorgWet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging persoonsgebonden budget voor dagbesteding

Verzoeker, lichamelijk gehandicapt en rolstoelgebonden, ontvangt al 18 jaar een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg in verband met zijn dagbesteding buiten zijn woonvorm. Het Zorgkantoor heeft het pgb per 1 juni 2026 beëindigd op grond van de Regeling langdurige zorg, omdat begeleiding alleen in groepsverband naast verblijf in een instelling mag worden ingekocht.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om het pgb te behouden tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zitting en oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, omdat hij zonder het pgb zijn zorg niet kan betalen en daardoor niet kan blijven werken.

De voorzieningenrechter weegt mee dat verzoeker het pgb al 18 jaar ontvangt en dat er geen signalen zijn dat hij de zorg anders kan regelen voor 1 juni 2026. De belangen van verzoeker wegen zwaarder dan die van het Zorgkantoor bij het rechtzetten van de situatie. Daarom wordt het besluit geschorst en moet het Zorgkantoor het griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het pgb wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1358
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor

(gemachtigde: mr. T. Olaniyi).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging met ingang van 1 juni 2026 van het pgb dat verzoeker ontvangt om in verband met zijn dagbesteding buiten de woonvorm waar hij verblijft zorg in te kopen.
1.1.
Met het besluit van 17 februari 2026 heeft het Zorgkantoor het pgb dat verzoeker ontvangt voor het inkopen van zorg (begeleiding individueel) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) met ingang van 1 juni 2026 beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Het Zorgkantoor heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het Zorgkantoor.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Verzoeker, geboren op 13 mei 1987, is lichamelijk gehandicapt vanaf zijn geboorte (spina bifida en hydrocephalus). Hij is volledig rolstoelgebonden en hij woont en ontvangt zorg in woonvorm [locatie] .
2.2.
Verzoeker ontvangt een pgb van het Zorgkantoor om in verband met zijn dagbesteding buiten de woonvorm zorg in te kopen. Verzoeker werkt drie dagen in de week, hij doet vrijwilligerswerk en hij sport.
2.3.
Met het besluit van 17 februari 2026 heeft het Zorgkantoor aan verzoeker medegedeeld dat het pgb dat hij ontvangt met ingang van 1 juni 2026 wordt beëindigd. Het Zorgkantoor beëindigt het pgb, omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.9, onder b, van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Ingevolge dat artikelonderdeel kan enkel begeleiding in groepsverband ingekocht worden naast verblijf in een instelling. Verzoeker is een begunstigingstermijn tot en met 31 mei 2026 geboden om de zorg die hij inkoopt met het pgb anders te regelen.
2.4.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de datum per wanneer verzoeker niet langer een pgb ontvangt wordt verlengd tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Verzoeker heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde voorziening, omdat hij na het wegvallen van het pgb de zorg die hij nodig heeft in verband met zijn dagbesteding buiten de woonvorm niet meer zal kunnen betalen. Verzoeker heeft er daarbij nog op gewezen dat hij het pgb al 18 jaar ontvangt.
2.5.
Op de zitting heeft de gemachtigde van het Zorgkantoor nog verklaard dat verzoeker volgens het Zorgkantoor eigenlijk al 18 jaar in strijd met de regelgeving het pgb ontvangt. Hij heeft verder verklaard dat het Zorgkantoor vorig jaar een werkgroep is gestart die alle gevallen beoordeelt waarin in het verleden in strijd met de regelgeving een pgb is toegekend. Ook verzoeker is daarbij aan bod gekomen en dat heeft geleid tot het besluit van 17 februari 2026.
2.6.
Na een belangenafweging komt de voorzieningenrechter tot de beslissing om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Voor de voorzieningenrechter is daarbij doorslaggevend dat verzoeker het pgb al 18 jaar ontvangt en dat er van partijen geen signalen zijn gekomen dat het verzoeker gaat lukken om voor 1 juni 2026 de zorg die hij inkoopt met het pgb anders te regelen. Voor de voorzieningenrechter is verder doorslaggevend dat verzoeker heeft aangegeven dat hij zonder de zorg die hij met het pgb inkoopt in ieder geval niet meer zal kunnen werken. De voorzieningenrechter is vanwege het vorenstaande van oordeel dat de belangen van verzoeker bij de tijdelijke voortzetting van de betaling van het pgb in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen van het Zorgkantoor bij het rechtzetten van de situatie dat in strijd met de regelgeving een pgb wordt verstrekt.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 17 februari 2026 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
3.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het Zorgkantoor het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Zorgkantoor moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 17 februari 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het Zorgkantoor het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026 door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.