Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2005

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
26/1351
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking uitkering Participatiewet

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân om zijn uitkering op grond van de Participatiewet met ingang van 18 februari 2026 in te trekken. Het college had de uitkering ingetrokken omdat verzoeker niet binnen de gestelde termijn de gevraagde bankafschriften en bewijsstukken had overgelegd.

Tijdens de zitting op 6 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat verzoeker weliswaar stelde de gevraagde gegevens tijdig via e-mail te hebben ingediend, maar dat het college dit ontkende en geen ontvangstbevestiging kon tonen. Verzoeker heeft zijn stelling niet kunnen onderbouwen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld op grond van artikel 54, derde lid, en artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet, waarin is bepaald dat de uitkering kan worden ingetrokken indien de betrokkene niet meewerkt aan het onderzoek. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1351
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân

(gemachtigde: M. van der Heide).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van zijn uitkering ingevolge de Participatiewet (PW).
1.1.
Met het bestreden besluit van 17 maart 2026 heeft het college de aan verzoeker toegekende uitkering ingevolge de Participatiewet (PW) met ingang van 18 februari 2026 ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
3. Het college heeft verzoekers uitkering ingevolge de PW ingetrokken, omdat verzoeker -tot twee keer toe- niet binnen de hem gestelde termijn gegevens heeft overgelegd. Het gaat daarbij om bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen en bewijsstukken van een internetbankrekening en/of creditcard op verzoekers naam over de periode van 1 november 2025 tot en met 1 februari 2026.
4. Verzoeker heeft in bezwaar aangevoerd dat hij de gevraagde gegevens tijdig via e-mail heeft overgelegd. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd de voorlopige voorziening te treffen dat zijn uitkering wordt hersteld tot op het bezwaar is beslist.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college het recht op bijstand van verzoeker met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW heeft ingetrokken, omdat verzoeker niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de PW. In dat artikellid is bepaald dat verzoeker het college de medewerking dient te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
6. De voorzieningenrechter is in deze zaak niet anders gebleken dan dat verzoeker gegevens waarom het college heeft gevraagd niet heeft overgelegd. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij de gevraagde gegevens tijdig via e-mail heeft overgelegd, maar dat blijkt nergens uit. Het college heeft ontkend de gegevens te hebben ontvangen. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college nog verklaard dat hij de ochtend van de zitting nog alle systemen van het college heeft nagekeken en een e-mail met de gevraagde stukken van verzoeker niet heeft gevonden. Verzoeker heeft zijn stelling dat hij de gegevens heeft overgelegd op geen enkele wijze onderbouwd. In dat verband merkt de voorzieningenrechter op dat de gemachtigde van het college op de zitting ook heeft verklaard dat verzoeker een ontvangstbevestiging moet hebben ontvangen als hij daadwerkelijk via e-mail gegevens bij het college heeft ingediend. De voorzieningenrechter overweegt nog dat het college een onderzoek naar de situatie van verzoeker mocht instellen en voorts dat het college gegevens kon opvragen die inzicht geven in de financiële situatie van verzoeker.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college verzoeker dan ook kunnen tegenwerpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn plicht om aan een onderzoek van het college mee te werken en op die grond de uitkering van verzoeker kunnen intrekken.
8. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit van 17 maart 2026 in de daartegen door verzoeker bij het college aangespannen procedure naar het zich thans laat aanzien in rechte stand zal kunnen houden.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026 door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.