ECLI:NL:RBNNE:2026:2005
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking uitkering Participatiewet
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân om zijn uitkering op grond van de Participatiewet met ingang van 18 februari 2026 in te trekken. Het college had de uitkering ingetrokken omdat verzoeker niet binnen de gestelde termijn de gevraagde bankafschriften en bewijsstukken had overgelegd.
Tijdens de zitting op 6 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat verzoeker weliswaar stelde de gevraagde gegevens tijdig via e-mail te hebben ingediend, maar dat het college dit ontkende en geen ontvangstbevestiging kon tonen. Verzoeker heeft zijn stelling niet kunnen onderbouwen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld op grond van artikel 54, derde lid, en artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet, waarin is bepaald dat de uitkering kan worden ingetrokken indien de betrokkene niet meewerkt aan het onderzoek. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de uitkering wordt afgewezen.