Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1982

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601563:R-RK
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord wegens onvoldoende maximaal haalbaar aanbod

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 16 april 2026 het verzoek van een schuldenaar om een dwangakkoord op te leggen aan een schuldeiser die niet akkoord ging met het schuldregelingvoorstel. De schuldenaar had een voorstel gedaan waarbij een deel van de schulden werd voldaan en de rest werd kwijtgescholden, gebaseerd op een saneringskrediet en het huidige inkomen van de schuldenaar.

De schuldeiser, die een groot deel van de schuld vordert, weigerde in te stemmen omdat het voorstel niet het maximaal haalbare bedrag bevatte. De rechtbank stelde vast dat de schuldenaar momenteel 28 uur per week werkt, maar onvoldoende had aangetoond dat hij niet meer uren zou kunnen werken. Er ontbraken medische stukken die een lagere verdiencapaciteit zouden onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de schuldeiser in redelijkheid kon weigeren in te stemmen met het voorstel omdat het niet het maximaal haalbare was. De belangen van de schuldeiser, de overige schuldeisers en de schuldenaar werden afgewogen, waarbij het grote aandeel van de schuldeiser in de totale schuld een belangrijke rol speelde. Het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord werd daarom afgewezen. De rechtbank zal later beslissen over het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van een dwangakkoord wordt afgewezen omdat het voorstel niet het maximaal haalbare is en de schuldeiser terecht weigert in te stemmen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Groningen
Rekestnummer: NL:TZ:2601563:R-RK
Vonnis van 16 april 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [verweerder] ,
tot het bevelen van voornoemde schuldeiser(s) in te stemmen met een schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet.

1.De procedure

1.1
[verzoeker] heeft op 23 januari 2026 twee verzoeken bij de rechtbank ingediend. In de eerste plaats wil [verzoeker] dat de rechtbank [verweerder] een dwangakkoord oplegt. Zij moet dan meewerken aan de schuldregeling van [verzoeker] . Als de rechtbank dit verzoek afwijst, wil [verzoeker] worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
1.2
Het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord is behandeld op de zitting van 30 maart 2026. Hierbij zijn verschenen:
- [verzoeker] ;
- [naam] , namens de Groningse Kredietbank (hierna te noemen: GKB);
- [verweerder] .
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van [verzoeker] is € 65.828,38. [verzoeker] heeft twaalf schuldeisers. [verzoeker] heeft met behulp van de GKB een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers waarbij een deel van de schulden wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. De gewone schuldeisers krijgen een uitkering van 3,5 % en de schuldeisers met voorrang krijgen een uitkering van 7 %. Het voorstel is gebaseerd op een saneringskrediet.
2.2.
[verweerder] is niet met dit voorstel akkoord gegaan. In totaal vordert [verweerder]
€ 23.462,40 van [verzoeker] . Dat is 75,9 % van de totale schuldenlast.
2.3.
[verzoeker] is een alleenstaande gescheiden man van 46 jaar. Hij werkt als [functie] voor gemiddeld 28 uur per week en ontvangt daarvoor een netto salaris van
€ 1.614,71 per maand. Door de scheiding in 2023, de zoektocht naar huisvesting en het kwijtraken van zijn baan, kreeg [verzoeker] last van mentale problemen en verslavingsproblematiek. Hierdoor zijn de achterstanden ontstaan en raakte [verzoeker] het overzicht kwijt. [verzoeker] heeft voor zijn verslavingsproblematiek hulp gezocht bij VNN en heeft zich uiteindelijk aangemeld bij de GKB. Sinds mei 2025 is het budgetbeheer opgestart.

3.3. Het verweer

3.1.
[verweerder] stemt niet in met het voorstel, omdat het voorstel niet het maximaal haalbare is. [verzoeker] heeft een hogere verdiencapaciteit dan wat hij nu aan inkomen verdient.

4.De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord.

4.1.
De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen af. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
Beoordelingskader
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en schuldenaar tegen elkaar afwegen.
De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling waarbij de schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser gedwongen worden om akkoord te gaan met zo'n betalingsvoorstel. Het is dan aan de schuldenaar om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeiser om in te stemmen met het akkoord niet redelijk is.
Bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door de Groningse Kredietbank (GKB). De GKB heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen maar een schuldsaneringsregeling zou worden uitgesproken. De GKB is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel goed en betrouwbaar uitgelegd met documenten en voldoende onderbouwd.
Maximaal haalbare?
4.4.
[verzoeker] heeft een saneringskrediet aangeboden. Dat betekent dat hij een bedrag ineens heeft aangeboden. Bij de berekening van het aangeboden bedrag is uitgegaan van de het huidige inkomen van [verzoeker] , waarbij hij ervan is uitgegaan dat dit niet zal wijzigen.
4.5
De rechtbank is echter van oordeel dat dat onvoldoende vaststaat. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige inkomsten. [verzoeker] werk momenteel gemiddeld 28 uur per week. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat [verzoeker] niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. [verzoeker] heeft geen medische stukken overgelegd, waar blijkt dat hij niet meer uren zou kunnen werken. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van [verzoeker] blijvend is. Daarom is het voorstel dat hij aan zijn schuldeisers heeft gedaan, niet het maximaal haalbare.
De afweging van belangen
4.6.
De vordering van [verweerder] vormt een aanzienlijk aandeel in de totale schuldenlast (te weten 75,9 % daarvan). Dat brengt mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat zij heeft geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. In dit geval is van belang dat het voorstel niet het maximaal haalbare is.
4.7
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [verweerder] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen.
4.8
Op het verzoek om toelating tot de WSNP zal de rechtbank bij afzonderlijk vonnis beslissen. Verzoeker wordt verzocht om de rechtbank binnen vier weken na heden te laten weten of hij zijn verzoek om toelating tot de WSNP wenst te handhaven.

5.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit is een beslissing van mr. S. van Gessel, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.