Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1979

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/18/23/31 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beëindiging schuldsaneringsregeling en verlenging vanwege boedelachterstand en nieuwe schulden

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak van een schuldenares die een schuldsaneringsregeling volgt sinds maart 2023. De bewindvoerder rapporteerde een boedelachterstand en nieuwe schulden, en stelde beëindiging van de regeling voor. De schuldenares verzocht om een schone lei en betwistte toerekenbaarheid van tekortkomingen.

De rechtbank oordeelde dat de schuldenares tekortgeschoten is in haar afdracht- en informatieplicht, onder meer door het niet tijdig aanleveren van bankafschriften, loonstroken en het niet informeren over een schadevergoedingszaak. Nieuwe schulden zijn ontstaan en kunnen haar worden toegerekend. De nalatenschap van haar overleden partner is nog niet afgewikkeld.

Gezien de omstandigheden en de inzet van de schuldenares tot april 2025, besloot de rechtbank de regeling niet te beëindigen maar te verlengen tot de maximale looptijd van 60 maanden. De schuldenares wordt ontheven van de afdrachtplicht voor het meerdere van haar inkomen boven het vrij te laten bedrag, behoudens het bewindvoerderssalaris. De bewindvoerder moet binnen 14 dagen een overzicht van de boedelachterstand met onderliggende berekening overleggen, waarna de schuldenares een inhaalplan moet indienen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging af en verlengt de schuldsaneringsregeling tot 60 maanden vanwege boedelachterstand, nieuwe schulden en niet-nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/23/31 R

vonnis van 3 april 2026

[schuldenares], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen de schuldenares,
bewindvoerder: [bewindvoerder] .

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 8 maart 2023 is ten aanzien van de schuldenares de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Door de bewindvoerder is op 8 december 2025 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Op 29 januari 2026 heeft een verificatievergadering inzake de schuldsaneringsregeling van de schuldenares plaatsgevonden.
De rechter-commissaris heeft de rechtbank voorgedragen de schuldsaneringsregeling te
beëindigen.
De zaak is behandeld ter zitting van 20 maart 2026, alwaar de bewindvoerder en
mr. J.M. van der Linden, namens de schuldenares, zijn verschenen en gehoord.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenares toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Ingeval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet leiden onder onthouding van ‘de schone lei’.
In het eindverslag geeft de bewindvoerder aan dat niet aan de afdracht- en informatieplicht is voldaan en dat nieuwe schulden zijn ontstaan tot een bedrag van € 3.741,00. Daarnaast is de partner van de schuldenares in november 2025 overleden en dient de nalatenschap nog afgewikkeld te worden.
Namens [schuldenares] heeft mr. Van der Linden aangevoerd dat haar een schone lei moet worden verleend, omdat de bewindvoerder en de rechter-commissaris haar er onvoldoende op hebben gewezen dat zij zich aan de afdracht- en informatieplicht dient te houden. Een eventuele tekortkoming op dat punt kan haar om die reden niet worden toegerekend. Verder heeft mr. Van der Linden aangevoerd dat niet duidelijk is hoe de boedelachterstand is berekend. De onderliggende berekening ontbreekt. Ten slotte heeft mr. Van der Linden aangevoerd dat er weliswaar nieuwe schulden zijn ontstaan maar dat het ontstaan daarvan niet aan [schuldenares] kan worden toegerekend. Subsidiair heeft [schuldenares] verzocht de regeling te verlengen.
Afdracht- en informatieplicht
Ter zitting is duidelijk geworden dat de schuldenares inmiddels bijna alle ontbrekende informatie heeft aangeleverd, met uitzondering van de meest recente bankafschriften en een enkele loonstrook. Ook is duidelijk geworden dat de schuldenares de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over het verloop van de schadevergoedingszaak terwijl dit wel was afgesproken.
Uit de verslagen van de bewindvoerder volgt dat er tot april 2025 geen afdrachtplicht was of slechts minimaal. In het verslag van 8 april 2025 staat dat er een achterstand is van € 7,65. Daarnaast staat in het verslag van 16 november 2024 dat is overlegd dat de schuldenares de bewindvoerder op de hoogte stelt van de afloop van de schadevergoedingszaak, waarmee de boedelachterstand kan worden ingelopen. Sinds april 2025 heeft de schuldenares weer werk. Vanaf dat moment is de boedelachterstand opgelopen.
Uitgangspunt is dat de schuldenares zelf verantwoordelijk is voor het nakomen van de op grond van de schuldsaneringsregeling op haar rustende verplichtingen. Dat de schuldenares niet volledig aan de informatieplicht heeft voldaan staat wel vast. Dat niet aan de afdrachtplicht is voldaan staat ook vast. Hiermee is [schuldenares] tekortgeschoten in de voor haar uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen. Dit kan haar naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden ook worden toegerekend. Tot april 2025 is [schuldenares] haar inlichtingenplicht nagekomen. Voor haar was dan ook duidelijk dat zij die plicht had. Na haar verhuizing naar Amsterdam en het aanvaarden van een betrekking in loondienst, is zij die informatieplicht zonder goede reden niet meer nagekomen. Dat de bewindvoerder [schuldenares] in de gegeven omstandigheden had moeten wijzen op de nakoming van die plicht, is niet gebleken. Dat [schuldenares] haar afdrachtplicht niet is nagekomen is het gevolg van de afspraak tussen de bewindvoerder en de schuldenares en van het feit dat de schuldenares de bewindvoerder niet tijdig heeft geïnformeerd over de uitkomst van de schadevergoedingszaak en heeft voorzien van loonstroken. Hierdoor kon de bewindvoerder ook geen berekening maken van het af te dragen bedrag. Zoals ter zitting is gebleken heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 30 juli 2025 reeds geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk was. In weerwil van de gemaakte afspraak heeft [schuldenares] de bewindvoerder hierover niet geïnformeerd. Door de bewindvoerder vervolgens ook niet van de noodzakelijke loonstroken te voorzien is een achterstand in de afdrachtplicht ontstaan, die voorkomen had kunnen en moeten worden door [schuldenares] .
Nieuwe schulden
Door [schuldenares] is niet betwist dat er nieuwe schulden zijn. De bewindvoerder heeft verder aangegeven dat er waarschijnlijk terugvorderingen ter zake van ontvangen toeslagen gaan komen. Dat de schulden aan de belastingdienst niet toerekenbaar zijn, zoals van de zijde van [schuldenares] is aangevoerd, is niet nader toegelicht. Zo is bijvoorbeeld niet aangegeven dat de schuldenares steeds tijdig alle wijzigingen naar beste weten heeft doorgegeven aan de belastingdienst. Ook op dit punt is [schuldenares] tekortgeschoten in de voor haar uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en kan haar dit worden toegerekend.
Nalatenschap
Verder is nog van belang dat de echtgenoot van [schuldenares] begin november 2025 is overleden en dat er nog veel onduidelijkheid is over de afwikkeling van de nalatenschap.
Verlenging
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de schuldenares weliswaar is tekortgeschoten in haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, maar dat hieraan vooralsnog geen gevolgen verbonden worden. Redengevend hiervoor is dat [schuldenares] tot april 2025 haar verplichtingen is nagekomen en mogelijk verwarring is ontstaan bij [schuldenares] over de afdrachtplicht. Daarbij heeft [schuldenares] zich steeds ingezet voor werk.
De rechtbank ziet in het feit dat de schuldenares zich geruime tijd niet goed aan haar verplichtingen heeft gehouden en er nieuwe schulden en een boedelachterstand zijn ontstaan evenwel aanleiding de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is te verlengen. De rechtbank is echter met de schuldenares van oordeel dat niet duidelijk is hoe de boedelachterstand is berekend. Daarom zal de rechtbank de bewindvoerder opdragen binnen 14 dagen na deze uitspraak, derhalve uiterlijk 17 april 2026, een overzicht te overleggen met onderliggende berekening van de boedelachterstand. Vervolgens dient de schuldenares binnen 14 dagen na 17 april 2026, derhalve uiterlijk 1 mei 2026 een plan over te leggen waaruit volgt hoe zij de boedelachterstand zal inlopen en de nieuwe schulden zal aflossen.
De rechtbank zal de duur van de schuldsaneringsregeling verlengen met vierentwintig maanden, dit wel onder de voorwaarde dat de schuldenares iedere maand een aflossing gaat doen aan de boedel, minimaal conform het door haar nog over te leggen aflosschema.
Indien de schuldenares er eerder in slaagt de volledige boedelschuld en nieuwe schulden af te betalen, kan de schuldsaneringsregeling op dat moment worden beëindigd.
De schuldenares zal vanaf 8 maart 2026 worden ontheven van haar verplichting om het meerdere van haar maandelijkse inkomen, boven het vrij te laten bedrag, aan de boedel af te dragen, zodat zij het meerdere kan aanwenden voor het wegwerken van de boedelachterstand en nieuwe schulden.
Nu de verlenging te wijten is aan het niet adequaat handelen van de schuldenaar, is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaar wel het salaris bewindvoerder na 8 maart 2026 dient te betalen.

BESLISSING

De rechtbank:
- weigert de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenares;
- stelt de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van de schuldenares van toepassing is vast op zestig maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen;
- bepaalt dat schuldenares vanaf 8 maart 2026 wordt ontheven van haar verplichting om het meerdere van haar inkomen boven het vrij te laten bedrag aan de boedel af te dragen, met uitzondering van het bewindvoerderssalaris.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.