ECLI:NL:RBNNE:2026:1965

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/18/254901 / KG ZA 26-124
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • T.P. Hoekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:457 lid 1 BWArt. 7:458a lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage medisch dossier overleden patiënt wegens onvoldoende aanwijzingen wilsonbekwaamheid

De erfgenamen van de overleden erflater vorderden inzage in het medische dossier bij Frisius Medisch Centrum om te onderzoeken of erflater ten tijde van het opgestelde testament wilsbekwaam was. Zij vermoeden dat door de ziekte van Kahler en verslechterde toestand erflater mogelijk niet in staat was zijn wil te bepalen, wat de rechtsgeldigheid van het testament zou aantasten.

Frisius MC verweerde zich met een beroep op het medisch beroepsgeheim en stelde dat er geen aanwijzingen waren voor wilsonbekwaamheid. De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel het belang van de erfgenamen zwaarwegend is, er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat erflater op het moment van het testament wilsbekwaam was. Ook is niet aannemelijk dat het dossier opheldering zal geven over de wilsbekwaamheid.

De vordering tot inzage in het medisch dossier wordt daarom afgewezen. De erfgenamen worden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. De rechtbank benadrukt dat het medisch beroepsgeheim ook na overlijden geldt en dat uitzonderingen daarop slechts gelden bij zwaarwegend belang en concrete aanwijzingen.

Uitkomst: De vordering tot inzage in het medisch dossier wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete aanwijzingen voor wilsonbekwaamheid ten tijde van het testament.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/254901 / KG ZA 26-124
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
3
[eiseres sub 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat: mr. F.P. van Dalen,
tegen
FRISIUS MEDISCH CENTRUM B.V.,
te Leeuwarden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Frisius MC,
advocaat: mr. C. Grondsma.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte vermeerdering van eis
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s.
- de pleitnota van Frisius MC.

2.De feiten

2.1.
[eiser sub 1] c.s. zijn de broer en zussen en tevens de erfgenamen van [erflater] . De op [geboortedatum] 1951 geboren [erflater] is op 17 juli 2024 overleden en wordt hierna erflater genoemd. De vader en de moeder van het gezin [eiser sub 1] worden hierna vader en moeder genoemd.
2.2.
Vader exploiteerde tot zijn overlijden in 1996 samen met erflater een veehoudersbedrijf in maatschapsverband, aanvankelijk in [plaats ] en later in [plaats ] . Erflater woonde samen met vader en moeder in de boerderij. Nadat vader was overleden heeft erflater het veehoudersbedrijf alleen voortgezet. Hij is aanvankelijk met moeder in de boerderij in [plaats ] blijven wonen, ook nadat hij de exploitatie van het veehoudersbedrijf in 2008 had beëindigd.
2.3.
In juli 2023 is bij erflater de ziekte van Kahler (beenmergkanker) vastgesteld. Erflater is daarvoor onder behandeling geweest bij dr. [arts] , werkzaam bij Frisius MC.
2.4.
De boerderij is in 2024 verkocht. Erflater en moeder zijn toen verhuisd naar een woning in [plaats ] .
2.5.
Op 16 mei 2024 had erflater een afspraak met dr. [arts] , waarbij ook [echtgenoot eiseres sub 3] , de echtgenoot van eiseres sub 3 (hierna: [echtgenoot eiseres sub 3] ), aanwezig was. De toestand van erflater was toen verslechterd: ondanks de behandelingen was de kanker terug gekomen.
2.6.
Op 17 mei 2024 heeft erflater gesproken met notaris [notaris] te [plaats ] . Naar aanleiding van die bespreking heeft notaris [notaris] op 23 mei 2024 een concept-testament voor erflater opgemaakt.
2.7.
Op 30 mei 2024 is erflater opgenomen in het Frisius MC vanwege een urineweginfectie. Hij is de volgende dag ontslagen en opgehaald door eiseres sub 3 en haar echtgenoot [echtgenoot eiseres sub 3] .
2.8.
Op 3 juni 2024 is op het kantoor van notaris [notaris] te [plaats ] het testament van erflater verleden. Dit testament was gelijkluidend aan het concept-testament van 23 mei 2024. In dit testament heeft erflater [eiser sub 1] c.s. tot zijn erfgenamen benoemd en is een legaat opgenomen van € 250.000,00 aan “mijn partner [partner erflater] ” (hierna: [partner erflater] ). Met dit testament is (onder meer) een eerder verleden testament van erflater van 20 juni 2006 herroepen. In dat eerdere testament waren [eiser sub 1] c.s. eveneens als erfgenamen benoemd en was er sprake van een keuzelegaat en legaat van vruchtgebruik op de goederen van de nalatenschap aan moeder.
2.9.
Op 6 juni 2024 is erflater voor een echo en bloedafname in het Frisius MC geweest. Hij is daarbij vergezeld door [echtgenoot eiseres sub 3] .
2.10.
Op 12 juni 2024 heeft erflater in aanwezigheid van [echtgenoot eiseres sub 3] de uitslag van het onderzoek besproken met dr. [arts] . Daarbij is besproken dat de ziekte “naar buiten was geslagen”.
2.11.
Erflater is op 17 juli 2024 in [plaats ] overleden.
2.12.
Tot de nalatenschap van erflater behoort de woning in [plaats ] die tot het overlijden van erflater door erflater en moeder werd bewoond. Moeder woont nu alleen in deze woning. Daarnaast behoort tot de nalatenschap van erflater een woning in [plaats ] . Deze woning wordt gehuurd door eiseres sub 3 en [echtgenoot eiseres sub 3] . Beide woningen hebben een (over)waarde van ongeveer € 500.000,00. Daarnaast is er aan liquiditeiten een bedrag van ongeveer € 275.860,00 aanwezig.
2.13.
In totaal zijn er ter zake van de nalatenschap van erflater aanslagen voor de erfbelasting opgelegd ter hoogte van afgerond € 461.000,00. Tegen deze aanslagen is bezwaar gemaakt. De aanslagen zijn nog niet betaald.

3.De vordering

3.1.
[eiser sub 1] c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Frisius MC veroordeelt om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot afgifte van het volledige medische dossier van erflater aan [eiser sub 1] c.s. over de periode juli 2023 tot aan de datum van zijn overlijden, zulks op straffe van verbeurte van een direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dan wel dagdeel dat Frisius MC daarmee in gebreke blijft tot een maximum van
€ 25.000,00.
3.2.
Frisius MC voert verweer. Frisius MC concludeert primair tot afwijzing van de vordering van [eiser sub 1] c.s. en subsidiair tot een beperkte toewijzing van de vordering, zoals weergegeven in de pleitnota onder punt 6, zowel primair als subsidiair met veroordeling van [eiser sub 1] c.s. in de kosten van het geding, inclusief de nakosten en wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.
[eiser sub 1] c.s. hebben gesteld dat zij vermoeden dat erflater in de maanden mei, juni en juli 2024 en dus ook ten tijde van het verlijden van het testament van erflater op 3 juni 2024, zijn wil niet kon bepalen als gevolg van de ziekte van Kahler. Daarbij hebben zij opgemerkt dat zijn toestand is verslechterd doordat hij in de laatste zes maanden van zijn leven de aan hem voorgeschreven medicijnen niet of nauwelijks innam. Gelet op deze (vermoedelijke) wilsonbekwaamheid is het testament van erflater van 3 juni 2024 volgens [eiser sub 1] c.s. niet rechtsgeldig en moet de nalatenschap van erflater worden afgewikkeld aan de hand van het testament van 20 juni 2006. Dit impliceert dat aan [partner erflater] geen legaat van € 250.000,00 toekomt en dat aan moeder een keuzelegaat en legaat van vruchtgebruik op de goederen van de nalatenschap toekomt. Om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over de wilsbekwaamheid van erflater ten tijde van het verlijden van het testament van 3 juni 2024, willen [eiser sub 1] c.s. de beschikking krijgen over het medische dossier van erflater dat
Frisius MC onder zich heeft. Frisius MC beroept zich op het medisch beroepsgeheim en stelt het medisch dossier van erflater niet aan [eiser sub 1] c.s. ter beschikking.
Akte vermeerdering van eis
4.2.
Bij akte vermeerdering van eis hebben [eiser sub 1] c.s. te kennen gegeven dat moeder “zich wil voegen aan de zijde van eisers en dus ook als procespartij wenst op te treden in de door eisers opgestarte kortgedingprocedure. Ook moeder heeft er belang bij dat gedaagde het medisch dossier van [erflater] zal afgeven aan eisers”.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van Dalen desgevraagd meegedeeld dat hij geen contact heeft gehad met moeder. Uit deze mededeling in combinatie met de hiervoor geciteerde inhoud van de akte vermeerdering van eis - die door [eiser sub 1] c.s. is ingediend en niet (mede) door moeder - leidt de voorzieningenrechter af dat [eiser sub 1] c.s. zelf moeder als procespartij willen toevoegen aan deze procedure, zonder dat moeder daarbij betrokken is. Een dergelijke “vermeerdering van eis” past niet in het systeem van de wet; het had op de weg van moeder gelegen om zelf een incident tot voeging of tussenkomst op te werpen. De hiervoor bedoelde “vermeerdering van eis” zal dus buiten beschouwing worden gelaten.
Spoedeisend belang
4.4.
De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang aanwezig. [eiser sub 1] c.s. wensen immers op korte termijn duidelijkheid te verkrijgen over de vraag hoe de nalatenschap van erflater moet worden afgewikkeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser sub 1] c.s. hieraan toegevoegd dat [partner erflater] deze procedure afwacht alvorens zij formeel aanspraak maakt op legaat dat op grond van het testament van 3 juni 2024 aan haar toekomt.
Beroepsgeheim en inzagerecht
4.5.
Een hulpverlener mag op grond van artikel 7:457 lid 1 BW Pro geen inzage in of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt verstrekken dan met toestemming van de patiënt. Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt. Op deze plicht tot geheimhouding bestaan uitzonderingen.
4.6.
[eiser sub 1] c.s. beroepen zich op de uitzondering van artikel 7:458a lid 1 aanhef en onder c BW. Hierin is bepaald dat een hulpverlener in afwijking van artikel 7:457 lid 1 BW Pro desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
4.7.
Gelet op de wetsgeschiedenis [1] en de op verzoek van de Minister [2] aan de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (KNMG) gevraagde handreiking waarin duidelijk is gemaakt wanneer sprake is van een “zwaarwegend belang” tot inzage in en afschrift van het medisch dossier van een overleden patiënt [3] , is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel - zoals Frisius MC ook niet heeft weersproken - dat het belang van [eiser sub 1] c.s. bij inzage in het medisch dossier van erflater als zwaarwegend moet worden aangemerkt. [eiser sub 1] c.s. zijn immers voornemens om een rechtshandeling van erflater aan te vechten, namelijk het op 3 juni 2024 verleden testament, omdat zij het vermoeden hebben dat erflater op dat moment niet wilsbekwaam was. Op basis van dit testament krijgen [eiser sub 1] c.s., als gevolg van het daarin aan [partner erflater] toegekende legaat van € 250.000,00, aanzienlijk minder dan zij zouden krijgen op basis van het testament van erflater van 20 juni 2006. [eiser sub 1] c.s. hebben daarbij naar het oordeel van de rechtbank terecht opgemerkt dat het legaat van moeder, zoals dat was opgenomen in het testament van 20 juni 2006, weinig waarde heeft gelet op de zeer hoge leeftijd van moeder.
4.8.
Inzage wordt echter alleen gegeven wanneer aan de hand van voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk wordt gemaakt dat het zwaarwegend belang mogelijk zou kunnen worden geschaad door geen inzage te verlenen. In dit geval betekent dit dat er concrete aanwijzingen moeten zijn voor het vermoeden dat erflater wilsonbekwaam was ten tijde van het verlijden van het testament op 3 juni 2024. Daarbij is niet vereist dat de wilsonbekwaamheid al (min of meer) vast moet staan. Of er daadwerkelijk sprake is geweest van wilsonbekwaamheid zal immers nog beoordeeld moeten worden en daarvoor wordt nu juist de inzage in het medisch dossier gevorderd.
4.9.
[eiser sub 1] c.s. hebben gesteld dat erflater een verwarde indruk maakte. Zij hebben ter onderbouwing daarvan een aantal voorbeelden genoemd, zoals dat het erflater niet meer lukte om zijn computer te bedienen (en daarmee om zijn bankzaken te regelen) en om afspraken met bijvoorbeeld het ziekenhuis en de notaris te maken. Ook begreep hij volgens hen niet meer dat voor het gebruik van een elektrische maaimachine stroom nodig is en heeft hij tegen ziekenhuispersoneel gezegd dat moeder overleden was. Frisius MC heeft hier echter tegenover gesteld dat er tijdens het gehele behandeltraject van erflater bij Frisius MC geen aanleiding bestond tot twijfel aan de wilsbekwaamheid van erflater. Erflater was volgens Frisius MC aanspreekbaar en was in staat tot besluitvorming en werd ook niet vertegenwoordigd. Volgens Frisius MC is (tijdelijke) verwardheid van erflater rondom een ziekenhuisopname vanwege een urineweginfectie medisch gezien ook te verklaren (tijdelijk delirium) en verwardheidsepisoden kunnen - zonder dat sprake is van wilsonbekwaamheid - volgens haar ook het gevolg zijn van de ziekte van Kahler. In het licht van deze betwisting is de voorzieningenrechter van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig zijn voor het vermoeden dat erflater wilsonbekwaam was ten tijde van het verlijden van het testament op 3 juni 2024. Eerder lijkt er sprake te zijn van een beeld van incidentele verwardheid bij erflater, zoals Frisius MC heeft gesteld. Concrete omstandigheden van die dag (3 juni 2024) zijn ook niet gesteld, terwijl de notaris kennelijk geen aanleiding heeft gezien om zijn dienst te weigeren. Ook in de inhoud van het testament zelf ziet de voorzieningenrechter geen aanwijzing voor het vermoeden dat erflater wilsonbekwaam was. Hoewel [eiser sub 1] c.s. kennelijk geen duidelijk beeld hebben van de affectieve relatie tussen erflater en [partner erflater] , hebben zij wel aangegeven dat die relatie al vanaf 2017 bestond. Hoewel aan [partner erflater] het aanzienlijke bedrag van € 250.000,00 is gelegateerd, is dit - gelet op de omvang van de nalatenschap - minder dan aan ieder van eisers toekomt. Ook als de inhoud van het testament van 3 juni 2024 onder druk van [partner erflater] tot stand is gekomen, zoals van de kant van [eiser sub 1] c.s. tijdens de mondelinge behandeling is gesuggereerd, is dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog geen aanwijzing voor wilsonbekwaamheid van erflater.
Hoewel moeder niet als procespartij optreedt, merkt de voorzieningenrechter in dit verband op dat de omstandigheid dat aan haar niet - net als in het testament van 20 juni 2006 - een legaat is toegekend, onvoldoende is om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflater. Zonder signalen van het tegendeel gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat de notaris dit met erflater heeft besproken en dat erflater daarvoor een valide reden heeft gegeven.
4.10.
Hoewel de vordering op grond van het voorgaande al niet toewijsbaar is, overweegt de voorzieningenrechter bovendien het volgende. Voor een geslaagd beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 7:458a lid 1 aanhef en onder c BW is ook vereist dat [eiser sub 1] c.s. aannemelijk maken dat inzage in het medisch dossier van erflater dat zich bij Frisius MC bevindt, noodzakelijk is voor de behartiging van hun zwaarwegende belang. Ook aan dit vereiste is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan. Uit het verweer van Frisius MC volgt immers dat aannemelijk is dat het medische dossier van erflater dat zich bij Frisius MC bevindt, geen opheldering zal geven over de wilsbekwaamheid van erflater ten tijde van het verlijden van het testament. Frisius MC heeft - zoals hiervoor al is weergegeven - aangevoerd dat er tijdens het gehele behandeltraject van erflater bij Frisius MC geen aanleiding bestond tot twijfel aan de wilsbekwaamheid van erflater. De behandeldoelen betroffen enkel oncologische behandeling en er heeft volgens Frisius MC dus geen specifieke beoordeling van wilsbekwaamheid plaatsgevonden.
Conclusie
4.11.
Omdat in dit kort geding niet voldoende aannemelijk is geworden dat voldaan is aan de vereisten voor het aannemen van een uitzondering op het beroepsgeheim van Frisius MC, zal de vordering van [eiser sub 1] c.s. worden afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[eiser sub 1] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Frisius MC worden begroot op:
  • kosten dagvaarding € 159,40
  • griffierecht € 735,00
  • salaris advocaat € 1.177,00
  • nakosten €
beslissing)
Totaal € 2.260,40.
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [eiser sub 1] c.s. in de proceskosten van € 2.260,40, te vermeerderen met
€ 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser sub 1] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op
27 mei 2026.
1153

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3
2.Kamerstukken II 2020/21, 34994, nr. 21
3.Handreiking KNMG, Inzage in medische dossiers door nabestaanden, 2020