Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1930

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
256189
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8 EVRMProcesreglement Civiel Jeugdrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping spoedmachtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende onderbouwing noodzaak

Op 4 mei 2026 verleende de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar oma voor de duur van drie maanden. Deze maatregel volgde op een ernstige verstoring van de relatie tussen de minderjarige en haar vader na een conflict. De GI handhaafde het verzoek tot voortzetting van de uithuisplaatsing tot 4 augustus 2026.

Tijdens de zitting op 12 mei 2026 werden de standpunten van de GI, de moeder en de vader gehoord. De GI stelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was om de minderjarige tot rust te laten komen en escalatie te voorkomen. De moeder vond het belangrijk dat er snel een jeugdbeschermer wordt aangesteld en begreep dat terugkeer naar huis nog te vroeg was. De vader betwistte de noodzaak van de spoedmachtiging en pleitte voor intensieve ambulante hulpverlening om terugkeer mogelijk te maken.

De kinderrechter constateerde een kennelijke fout in de oorspronkelijke beschikking, omdat de spoedmachtiging voor drie maanden was verleend terwijl het procesreglement een maximale duur van vier weken voorschrijft. Tevens was onvoldoende onderbouwd dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk was. De kinderrechter oordeelde dat hulpverlening in de thuissituatie eerst moet worden ingezet, ook als de minderjarige daar niet voor openstaat, zeker nu de vader bereid is mee te werken. De GI had bovendien nog geen concreet plan en er was geen vaste jeugdbeschermer betrokken.

Daarom werd de spoedmachtiging herroepen met ingang van 19 mei 2026, om de GI de tijd te geven passende hulpverlening te organiseren en een zorgvuldige terugkeer naar de vader mogelijk te maken. Het resterende verzoek tot machtiging werd afgewezen.

Uitkomst: De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wordt herroepen met ingang van 19 mei 2026 en het resterende verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/256189 / JE RK 26-842
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),
over
[Naam], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[Naam],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[Naam],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.R. Rauwerda uit Leeuwarden.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 4 mei 2026 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleegzorg) verleend voor de duur van drie maanden, te weten tot 4 augustus 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader met zijn advocaat;
- [Naam] , namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven. Zij heeft de kinderrechter op 11 mei 2026 een e-mail gestuurd.

2.De feiten

2.1.
Voor de vaststaande feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 4 mei 2026.
2.2.
[de minderjarige] verblijft op grond van de spoedmaatregel bij de oma (moederszijde).

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
De GI handhaaft het verzoek om - uitvoerbaar bij voorraad - een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg te verlenen tot 4 augustus 2026.

4.De standpunten en de beoordeling

4.1.
De kinderrechter overweegt ambtshalve het volgende. Uit de beschikking van 4 mei 2026 blijkt dat de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend voor de duur van drie maanden conform het verzoek van de GI. Verder blijkt uit die beschikking dat de beslissing voor het overige is aangehouden in afwachting van het horen van de belanghebbenden op 12 mei 2026. Uit de beschikking van 4 mei 2026 volgt aldus dat de kinderrechter het verzoek voor de verzochte duur heeft toegewezen, maar tegelijkertijd 'voor het overige' heeft aangehouden. Gelet op deze tegenstrijdigheid en het feit dat het Procesreglement Civiel Jeugdrecht bepaalt dat een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van maximaal vier weken wordt verleend, is naar het oordeel van de kinderrechter sprake van een kennelijke fout. De kinderrechter acht zich daarom bevoegd om het door de GI (gehandhaafde) verzoek te beoordelen, ondanks het feit dat tegen de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ook hoger beroep kan worden ingesteld. Daarbij heeft de kinderrechter het van zwaarwegend belang geacht dat de belanghebbenden nog niet waren gehoord op het verzoek en dat de ouders, gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, belang hebben bij een oordeel over de verzochte uithuisplaatsing op basis van alle beschikbare informatie, waaronder de ter zitting gegeven toelichtingen.
4.2.
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat de onderlinge verstandhouding tussen [de minderjarige] en de vader na een conflict op Koningsdag ernstig verstoord is geraakt. [de minderjarige] is
na een ruzie weggelopen en gaf aan dat zij absoluut niet terug wilde naar de vader. De GI heeft daarop geprobeerd om ambulante spoedhulp in te zetten zodat [de minderjarige] op een veilige manier terug naar huis kon, maar dit is niet van de grond gekomen omdat [de minderjarige] daar niet voor open stond. De GI vond het op dat moment het meest passend en in het belang van [de minderjarige] dat zij bij de oma zou verblijven en heeft daarom een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verzocht. De GI vindt het in het belang van [de minderjarige] dat zij voorlopig bij de oma kan blijven, zodat zij tot rust kan komen, naar school kan blijven gaan en van daaruit gewerkt kan worden aan herstel van het contact met de vader en kan worden onderzocht wat er nodig is voor een thuisplaatsing. De GI wil hiervoor de hulpverlening van [naam hulpverleningsinstantie] inzetten. Als [de minderjarige] per direct teruggaat naar huis, verwacht de GI dat er opnieuw een escalatie zal ontstaan.
4.3.
De moeder heeft aangevoerd dat zij de huidige situatie zorgelijk vindt, mede omdat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer betrokken is. De moeder vindt het belangrijk dat er zo snel mogelijk een jeugdbeschermer wordt aangesteld, zodat passende hulpverlening voor [de minderjarige] kan worden ingezet. De moeder zou het liefst willen dat [de minderjarige] bij haar verblijft, maar begrijpt dat dit op dit moment een te grote stap is. De moeder verwacht dat [de minderjarige] opnieuw zal weglopen als zij nu teruggaat naar de vader. Volgens de moeder houdt [de minderjarige] zich bij de oma wel aan de regels.
4.4.
Door en namens de vader is aangevoerd dat de spoedmachtiging niet noodzakelijk was. Volgens de vader was de aanleiding voor de uithuisplaatsing dat de vader [de minderjarige] heeft aangesproken op haar alcoholgebruik tijdens Koningsdag en op seksueel getinte filmpjes die in omloop waren. [de minderjarige] was het niet eens met de grenzen die de vader stelde en is vervolgens weggelopen. Volgens de vader had eerst intensieve ambulante hulpverlening moeten worden ingezet om een uithuisplaatsing te voorkomen, ook als [de minderjarige] daar niet voor openstond. De vader staat nog steeds open voor deze hulpverlening en voor de ondersteuning vanuit [naam hulpverleningsinstantie] . Hij vindt dat dit alsnog geprobeerd moet worden. Ook de vader heeft grote zorgen over het feit dat er geen vaste jeugdbeschermer betrokken is. Daarnaast vindt hij het zorgelijk dat de GI nog geen concreet plan heeft om toe te werken naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] . De vader maakt zich grote zorgen over het gedrag van [de minderjarige] , haar middelengebruik en de invloed van haar sociale netwerk. Nu [de minderjarige] bij de oma verblijft, heeft de vader daar nauwelijks zicht op. [de minderjarige] is al wel weer even langsgekomen bij de vader. De vader verzoekt de spoedmachtiging te herroepen en te bepalen dat [de minderjarige] teruggaat naar de vader. De vader begrijpt dat het verblijf bij oma nog langer nodig kan zijn om passende hulpverlening te organiseren.
4.5.
De kinderrechter overweegt dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is verleend na een escalatie tussen [de minderjarige] en de vader waardoor de onderlinge relatie verstoord is geraakt. [de minderjarige] was het niet eens met de straf die de vader haar had opgelegd en is weggelopen. Zij heeft daarna aangegeven dat zij absoluut niet terug wilde naar haar vader. Omdat alle betrokkenen het erover eens waren dat een verblijf bij de moeder niet mogelijk was, vond de GI een verblijf bij de oma (moederszijde) het meest passend. Nu de vader hier niet mee instemde, heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de oma verleend.
4.6.
Een machtiging tot uithuisplaatsing is een ingrijpende maatregel die slechts mag worden toegepast als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige en indien er geen minder ingrijpende alternatieven zijn. De kinderrechter begrijpt dat er enige tijd nodig was om de gemoederen te laten bedaren en [de minderjarige] bij oma te laten verblijven, maar de noodzaak om daar langer te verblijven heeft de GI onvoldoende onderbouwd. Dat [de minderjarige] niet open staat voor ambulante spoedhulp maakt naar het oordeel van de kinderrechter niet dat er een noodzaak is voor een uithuisplaatsing. De hulpverlening in de thuissituatie moet eerst alsnog ingezet worden. De kinderrechter is van oordeel dat het inzetten van passende hulpverlening niet uitsluitend afhankelijk mag worden gesteld van de bereidheid van [de minderjarige] , temeer nu de vader het belang van de hulpverlening onderschrijft en heeft aangegeven dat hij daaraan mee zal werken. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de GI nog geen concreet plan heeft voor de komende periode en dat op dit moment geen vaste jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld is. Dit acht de kinderrechter zorgelijk. Verder is onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre oma voldoende structuur, toezicht en begrenzing aan [de minderjarige] biedt, terwijl er grote zorgen bestaan over het zelfbepalende gedrag van [de minderjarige] en haar middelengebruik. De kinderrechter heeft niet de indruk gekregen dat de GI hier zicht op heeft of binnen zeer korte termijn verkrijgt, nu enkel de bureaudienst zich met de situatie van [de minderjarige] bezighoudt. Gelet op voorgaande is naar het oordeel van de kinderrechter daarom onvoldoende gebleken van de noodzaak om de uithuisplaatsing voort te zetten.
4.7.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de bij beschikking van 4 mei 2026 verleende (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing pas herroepen met ingang van 19 mei 2026. De kinderrechter doet dit om de GI de enige tijd te geven om een vaste jeugdbeschermer aan te stellen en passende hulpverlening in te zetten om de terugkeer van [de minderjarige] naar de vader op zorgvuldige wijze te laten plaatsvinden. Deze hulpverlening zal naar het oordeel van de kinderrechter een intensief traject moeten zijn, gelet op de al langere tijd bestaande zorgen over [de minderjarige] .

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
herroept met ingang van 19 mei 2026 de bij beschikking van 4 mei 2026 verleende (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
5.2.
wijst het resterende deel van het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door
mr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. Kuik als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.