Op 4 mei 2026 verleende de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar oma voor de duur van drie maanden. Deze maatregel volgde op een ernstige verstoring van de relatie tussen de minderjarige en haar vader na een conflict. De GI handhaafde het verzoek tot voortzetting van de uithuisplaatsing tot 4 augustus 2026.
Tijdens de zitting op 12 mei 2026 werden de standpunten van de GI, de moeder en de vader gehoord. De GI stelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was om de minderjarige tot rust te laten komen en escalatie te voorkomen. De moeder vond het belangrijk dat er snel een jeugdbeschermer wordt aangesteld en begreep dat terugkeer naar huis nog te vroeg was. De vader betwistte de noodzaak van de spoedmachtiging en pleitte voor intensieve ambulante hulpverlening om terugkeer mogelijk te maken.
De kinderrechter constateerde een kennelijke fout in de oorspronkelijke beschikking, omdat de spoedmachtiging voor drie maanden was verleend terwijl het procesreglement een maximale duur van vier weken voorschrijft. Tevens was onvoldoende onderbouwd dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk was. De kinderrechter oordeelde dat hulpverlening in de thuissituatie eerst moet worden ingezet, ook als de minderjarige daar niet voor openstaat, zeker nu de vader bereid is mee te werken. De GI had bovendien nog geen concreet plan en er was geen vaste jeugdbeschermer betrokken.
Daarom werd de spoedmachtiging herroepen met ingang van 19 mei 2026, om de GI de tijd te geven passende hulpverlening te organiseren en een zorgvuldige terugkeer naar de vader mogelijk te maken. Het resterende verzoek tot machtiging werd afgewezen.