Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1853

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
18/313071-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38z SrArt. 46 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorbereiding moord en bedreiging ex-partner en dochter

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het voorbereiden van moord op zijn ex-partner en haar dochter, alsmede voor bedreiging met een mes gericht tegen de ex-partner, haar dochter en haar nieuwe partner. Verdachte had in de periode van eind oktober tot half november 2025 messen, een jerrycan en kabelbinders aangeschaft met het oog op het plegen van moord. Daarnaast bedreigde hij de betrokkenen met doodsbedreigingen en maakte hij een snijgebaar langs zijn keel.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers, getuigen, politieverslagen en chatberichten waarin verdachte zijn voornemen tot moord en bedreiging uitte. Verdachte ontkende het voornemen tot moord, maar de rechtbank achtte het bewijs overtuigend. De bedreigingen en voorbereidingshandelingen werden als ernstig en strafbaar beoordeeld.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf jaar op, naast een contactverbod van twee jaar met de slachtoffers en een gedragsbeïnvloedende maatregel. De schadevergoeding aan de ex-partner werd gedeeltelijk toegewezen wegens immateriële schade, terwijl de vordering van de nieuwe partner werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van aantasting van zijn persoon.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en aanvullende maatregelen wegens voorbereiding van moord en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/313071-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. Dolinski, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2025 tot en met 18 november 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (als bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht), op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk een of meerdere messen en/of een benzinekan/jerrycan en/of kabelbinders/handboeien, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 november 2025 te [plaats] , althans in Nederland [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door met een mes naar de woning van [slachtoffer 1] te gaan en/of voor de voordeur en/of het raam [slachtoffer 3] een mes te tonen en/of te vragen of hij open wilde doen en/of op het raam te kloppen en/of te zeggen dat hij voor [slachtoffer 1] kwam en/of een zijwaartse beweging langs verdachtes keel te maken en/of (daarbij) meerdere malen, althans eenmaal, dreigend de woorden te zeggen: "Ik ga [slachtoffer 1] verkrachten en daarna haar keel doorsnijden" en/of " [slachtoffer 2] ga ik ook doodmaken" en/of dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dood ging maken, althans gedragingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of welke woorden en/of gedragingen die [slachtoffer 1] vervolgens ter ore zijn gekomen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 november 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, met een mes naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan en/of voor de voordeur en/of het raam [slachtoffer 3] een mes heeft getoond en/of heeft gevraagd of hij open wilde doen en/of op het raam heeft geklopt en/of heeft gezegd dat hij voor [slachtoffer 1] kwam en/of een zijwaartse beweging langs verdachtes keel heeft gemaakt en/of (daarbij) meerdere malen, althans eenmaal, dreigend de woorden heeft gezegd: "Ik ga [slachtoffer 1] verkrachten en daarna haar keel doorsnijden" en/of " [slachtoffer 2] ga ik ook doodmaken" en/of dat hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dood ging maken, althans gedragingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op of omstreeks 18 november 2025 te [plaats] , althans in Nederland [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes naar de woning van [slachtoffer 1] te gaan en/of voor de voordeur en/of het raam [slachtoffer 3] een mes te tonen en/of te vragen of hij open wilde doen en/of op het raam te kloppen en/of een zijwaartse beweging langs verdachtes keel te maken en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden te zeggen "en ik weet ook waar jij woont [slachtoffer 3] ", althans gedragingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3. hij op of omstreeks 14 november 2025 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] mondeling
en/of schriftelijk dreigend de woorden toe te voegen "kuestie van tijd dat ik jou en [slachtoffer 2] dood maak, in [plaats] ben je nergens veilig. Deze shit is niet klaar voor mij" en/of "Ik blijf elke dag terugkomen net zo lang totdat ik jou pak [slachtoffer 1] " en/of "Ik ga jou pakken en [slachtoffer 2] ", althans woorden van gelijke dreigende aard.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair (voorbereiding moord), 2 (bedreiging) en 3 (bedreiging).
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van feit 1 primair (voorbereiding moord) geheel en van de feiten 1 subsidiair (bedreiging) en 2 (bedreiging) gedeeltelijk moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 acht de raadsvrouw de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar. [slachtoffer 1] schetst een eenzijdig en verkeerd beeld van het contact tussen haar en verdachte in oktober-november 2025. Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] en haar dochter [slachtoffer 2] om het leven heeft willen brengen en daartoe messen, de jerrycan en de kabelbinders heeft aangeschaft. Ook overigens ontbreekt het bewijs dat verdachte een dergelijk voornemen had. Dat betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. Voor wat betreft feit 1 subsidiair heeft de raadsvrouw aangegeven dat dit kan worden bewezen, met uitzondering van het verwijt dat verdachte een zijwaartse beweging langs zijn keel heeft gemaakt.
Ten aanzien van feit 2, de bedreiging van [slachtoffer 2] , heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte heeft bekend bedreigende uitlatingen te hebben gedaan, zij het dat voor de exacte bewoording en de gestelde zijwaartse beweging langs zijn keel het wettig bewijs ontbreekt.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 (bedreiging van [slachtoffer 1] ) geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Feiten 1 primair (voorbereiding moord) en 2 (bedreiging op 18 november 2025)
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 8 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb een aantal jaren geleden een relatie gehad met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft nog een dochtertje gekregen, [slachtoffer 2] . Haar nieuwe partner ken ik alleen van naam: [slachtoffer 3] . Het
klopt dat ik tussen 30 oktober en 8 november 2025 twee messen, een jerrycan en kabelbinders in de vorm van handboeien heb gekocht. Ik heb haar berichten gestuurd en gebeld met heel boze teksten. Ik ben op 18 november 2025 bij haar aan de deur geweest aan de [adres] . [slachtoffer 3] was in haar woning. Ik had een mes bij me.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever met bijlage d.d. 24 november 2025, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025310032 d.d. 19 maart 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik heb op 14 november 2025, om 08.30 uur, een bericht gekregen met de volgende tekst: “Kwestie van tijd dat ik jou en [slachtoffer 2] dood maak, in [plaats] ben je nergens veilig. Deze shit is niet klaar voor mij”. En om 10.38 uur kreeg ik een foto van mijn dochter [slachtoffer 2] toegestuurd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 november 2025, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Hij [Verdachte] was heel boos dat zij [ [slachtoffer 1] ] weer contact met hem zocht. Hij zat er helemaal doorheen. Hij zag er ook heel slecht uit de laatste tijd. Hij sliep ook niet meer.
V: [slachtoffer 1] vertelde dat jij [verdachte] rustig probeerde te houden, tegen wilde houden? A: Gewoon rustig houden, dat hij geen gekke dingen zou doen.
V: Had hij iets gezegd over gekke dingen doen?
A: Nee, maar zijn boosheid en zijn houding maakten mij bang voor gekke dingen.
V: [slachtoffer 1] vertelde ons ook over dit telefoongesprek en toen werd haar verteld dat [verdachte] haar huis in de brand wilde steken?
A: Ja, dat heeft hij wel gezegd ja.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2026, opgenomen op pagina 204 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Dit proces-verbaal van bevindingen is een gedetailleerde weergave van de tijdlijn gebaseerd op de aangifte en de aanvullende verhoren van [slachtoffer 1] en de verklaringen van [verdachte] . Ook zullen in deze tijdlijn andere relevante data en/of gebeurtenissen worden weergegeven. De periode waarin de tijdlijn werd onderzocht is 1 oktober 2025 tot en met 18 november 2025.
Op 11 november 2025 ontvangt [verdachte] meerdere berichten van [getuige 1] .
Om 20.00 uur verstuurt [verdachte] : Ik zit nog steeds niet lekker in mijn vel en ben nog steeds heel boos, en denk hele tijd aan gekke dingen want ik gun haar het daglicht totaal niet. Ik weet zelf ook niet hoe dat gaat aflopen want ik heb de jerrycan al klaar staan.
Op 12 november verstuurt [verdachte] : Ik kan nu ook een paar dagen niet slapen want ik wil haar echt dood hebben.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 november 2025, opgenomen op pagina 174 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op dinsdag 18 november 2025 was ik getuige van een bedreiging met de dood die gericht was op mijn dochter [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Ik was op dat moment in de woning van mijn ex partner [slachtoffer 1] te [plaats] .
Toen hoorde ik dat er op het raam geklopt werd en dat een man zei; “Doe open”. Ik zag dat deze persoon mij aankeek. Ook zag ik dat hij in een van zijn handen een voorwerp vasthield wat leek op een mes. Ik wist dat deze stem hoorde bij [verdachte] , die voor mijn relatie met [slachtoffer 1] , met haar een soort van relatie heeft gehad. Toen hoorde ik [verdachte] de volgende dingen zeggen: “'Ik ga [slachtoffer 1] verkrachten en daarna haar keel doorsnijden”, vervolgens zei hij: “ [slachtoffer 2] ga ik ook dood maken”.
Hierbij zag ik ook dat [verdachte] een zijwaartse beweging met zijn hand langs zijn keel maakte. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij elke dag terug zou komen, totdat hij [slachtoffer 1] had verkracht en [slachtoffer 2] en haar de keel had doorgesneden. Ook hoorde ik [verdachte] zeggen: “En ik weet ook waar jij woont [slachtoffer 3] ”.
Vanaf het moment dat ik het voorwerp in zijn hand zag waarvan ik bijna zeker weet dat het een mes was, en door de houding van [verdachte] met wat hij riep, voelde ik mij absoluut niet veilig.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.19 november 2025, opgenomen op pagina 61 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Op dinsdag 18 november 2025 zag ik dat er een manspersoon voor de woning van [slachtoffer 1] stond. Ik hoorde hem schreeuwen: “Ik maak je dood, ik steek je dood, ik verkracht je [slachtoffer 1] . Ik maak je kind dood”. Ik zag dat de man echt buiten zinnen was. Ik zag dit doordat hij erg hard schreeuwde en dwaas heen en weer liep. Ik zag dat de man een mes in zijn hand [had]. Ik hoorde dat hij hard op de deur en het raam bonkte. Ook zag en hoorde ik dat hij hard tegen de deur aan trapte.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 november 2025, opgenomen op pagina 76 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op dinsdag 18 november 2025 was ik belast met de flexdienst binnen het Basisteam Zuidwest Drenthe. Wij hoorden dat in [plaats] een man met een mes aan de deur stond en dat het uit de hand zou lopen. Op basis van de melding zijn wij met enige spoed ter plaatse gegaan.
Na de cautie te hebben medegedeeld hebben wij de verdachte omhoog geholpen om de verdachte te kunnen fouilleren. Wij hoorden bij het omhoog brengen van de verdachte dat er een voorwerp op de grond viel. Wij zagen dat er een mes op de grond lag welke kennelijk uit de zak van de verdachte was gevallen.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Feit 1, voorbereiding van moord
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak bij de beantwoording van de vraag of het onder 1 primair ten laste gelegde is bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen (hierna: de middelen) bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had.1
Feit 2, bedreiging
Voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Feiten 1 en 2
De rechtbank stelt op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast, in chronologische volgorde.
Verdachte heeft in het verleden een relatie gehad met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft met haar ex-partner [slachtoffer 3] een dochtertje, genaamd [slachtoffer 2] .
In de periode van 30 oktober tot 8 november 2025 heeft verdachte twee messen, kabelbinders van het type handboeien en een benzinekan of jerrycan met een inhoud van 10 liter besteld.
Op 11 november 2025 heeft verdachte aan [getuige 1] een bericht gestuurd waarin hij beschrijft dat hij heel boos op [slachtoffer 1] is, niet lekker in zijn vel zit, de hele tijd aan gekke dingen denkt en haar het daglicht niet gunt. Verdachte schrijft ook dat hij de jerrycan al klaar heeft staan.
De volgende dag heeft verdachte aan [getuige 1] bericht dat hij [slachtoffer 1] echt dood wilde hebben.
Verdachte heeft vervolgens [slachtoffer 1] in de ochtend van 14 november een bericht gestuurd dat hij [slachtoffer 1] en haar dochter [slachtoffer 2] dood zou maken en dat [slachtoffer 1] nergens in [plaats] veilig was. Ook stuurde verdachte iets later die ochtend aan [slachtoffer 1] een foto van [slachtoffer 2] .
Verdachte was op 18 november 2025 bij het huis van [slachtoffer 1] . Zij was niet thuis, maar [slachtoffer 2] was daar wel. Hij zag verdachte buiten de woning staan met een mes in zijn hand. Verdachte schreeuwde: “Doe open. Ik kom niet voor jou. Ik kom [slachtoffer 1] doodmaken en ook haar kind. Ik ga haar eerst verkrachten en dan de keel doorhalen. En ik weet ook waar jij woont, [slachtoffer 3] ”. Getuige [getuige 2] was op straat en hoorde een man met een mes in zijn hand uitzinnig boos doodsbedreigingen jegens [slachtoffer 1] en haar kind schreeuwen.
Verdachte werd vervolgens aangehouden door de politie. Verdachte bleek een mes bij zich te hebben.
Feit 1, voorbereiding moord
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich op 12 november (aan [getuige 1] ) en op 14 november 2025 (rechtstreeks aan [slachtoffer 1] ) ernstig bedreigend heeft uitgelaten over [slachtoffer 1] en haar dochtertje. In beide berichten heeft hij aangegeven [slachtoffer 1] dood te willen of haar (en haar dochtertje) dood te zullen maken. Een aantal dagen later, op 18 november 2025, is verdachte vervolgens met een mes op zak daadwerkelijk naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan, waar hij opnieuw geroepen heeft dat hij [slachtoffer 1] en haar dochtertje zou gaan doden. Kort voor dit alles heeft verdachte twee messen, kabelbinders en een jerrycan aangeschaft. Naar het oordeel van de rechtbank wijst deze combinatie van handelingen en uitlatingen er onmiskenbaar op dat verdachte het plan had opgevat om [slachtoffer 1] en haar dochtertje om het leven te brengen (met andere woorden: moord) en dat hij ter voorbereiding op de uitvoering van dit voornemen de bedoelde goederen heeft besteld. Dat geldt niet alleen voor de messen, maar ook de jerrycan, waarnaar verdachte immers in een bericht van 14 november 2025 aan [getuige 1] heeft verwezen, een bericht dat bezwaarlijk anders gelezen kan worden dan in de context van het telefoongesprek met [getuige 1] over het in brand willen steken van de woning van [slachtoffer 1] . Het doel van de kabelbinders is niet exact helder geworden, maar nu verdachte daarover een volstrekt ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven ter terechtzitting, namelijk dat die bedoeld waren voor zijn fiets, en dat het feit dat ze de vorm hadden van handboeien een vergissing was en in het licht van de overige vastgestelde feiten, kan buiten redelijke twijfel worden aangenomen dat ook deze met het oog op de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] en haar dochtertje zijn aangeschaft. De rechtbank wijst er daarbij op dat de precieze manier waarop verdachte zijn plan wilde uitvoeren niet vast is komen te staan, en wellicht ook voor verdachte nog niet vaststond, maar dat dit ook niet van belang is voor de bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen.
De rechtbank acht daarmee feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2, bedreiging op 18 november 2025
Op grond van de voorgaande bewijsmiddelen en feitenvaststelling acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 18 november 2025 met een mes naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan en dat hij daar
heeft geroepen dat hij wist waar [slachtoffer 2] woonde en met zijn hand een snijgebaar langs zijn keel heeft gemaakt. Hoewel die laatste uitspraak en de snijbeweging alleen door [slachtoffer 2] zijn beschreven, acht de rechtbank dit ondanks de ontkennende verklaring van verdachte wel bewezen.
Immers niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging door twee bewijsmiddelen wordt gedragen, terwijl over de overige ten laste gelegde handelingen van verdachte meerdere getuigen hebben verklaard. De rechtbank is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de aard en combinatie van de ten laste gelegde uitlating en gedragingen van de verdachte in de angstaanjagende omstandigheden een bedreiging opleveren met enig misdrijf gericht tegen het leven van [slachtoffer 2] .
Feit 3, bedreiging op 14 november 2025
Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 november 2025, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025310032 d.d.19 maart 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. hij in de periode van 30 oktober 2025 tot en met 18 november 2025 te [plaats] , ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (als bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht), op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , opzettelijk een mes en een benzinekan/jerrycan en handboeien, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad;
2. hij op 18 november 2025 te [plaats] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes naar de woning van [slachtoffer 1] te gaan en voor de voordeur en het raam [slachtoffer 3] een mes te tonen en te vragen of hij open wilde doen en op het raam te kloppen en een zijwaartse beweging langs verdachtes keel te maken en daarbij die [slachtoffer 2] dreigend de woorden te zeggen “en ik weet ook waar jij woont [slachtoffer 3] ”;
3. hij op 14 november 2025 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] mondeling en schriftelijk dreigend de woorden toe te voegen “Kwestie van tijd dat ik jou en [slachtoffer 2] dood maak, in [plaats] ben je nergens veilig. Deze shit is niet klaar voor mij” en “Ik blijf elke dag terugkomen net zo lang totdat ik jou pak [slachtoffer 1] ” en “Ik ga jou pakken en [slachtoffer 2] ”.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair voorbereiding van moord
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Daarnaast vordert zij op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een contactverbod met aangeefster en haar dochter voor de duur van 2 jaren, waarbij per overtreding 1 week hechtenis kan worden opgelegd tot een maximum van 6 maanden. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr zal worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen en aan verdachte geen voorwaardelijke straf meer op te leggen, waarbij zij verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 8 april 2026 en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een moord en twee keer aan bedreiging met de dood. Verdachte heeft een relatie gehad met aangeefster [slachtoffer 1] en na deze relatie hadden zij af en toe nog contact. In november 2025 stuurde verdachte steeds meer dreigende berichten naar
[slachtoffer 1] waarbij hij haar meerdere keren heeft opgezocht bij haar huis. Verdachte heeft vervolgens ook de ex-partner van aangeefster [slachtoffer 1] bij haar huis bedreigd met de dood. Daarnaast is uit meerdere chatberichten gebleken dat hij aangeefster dood wilde hebben. Aangeefster heeft zich heel onveilig gevoeld, kampt sindsdien met lichamelijke en psychische klachten, is haar baan kwijtgeraakt en ook heeft zij moeten verhuizen na advies van de politie en Veilig Thuis.
Verdachte heeft voorwerpen besteld die bestemd waren om iemand van het leven te beroven. Het gronddelict, moord, behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. Verdachte heeft messen, een jerrycan en kabelbinders besteld en in dezelfde periode heeft hij chatberichten verstuurd die duidelijk lieten blijken dat hij aangeefster [slachtoffer 1] en haar dochtertje wilde doden. Dit is een dermate ernstig feit dat alleen het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur aan de orde kan zijn.
Verdachte heeft niet mee willen werken aan het onderzoek van de psycholoog waardoor weinig zicht is gekomen op de mogelijke problematiek van verdachte. Uit het rapport van de reclassering is gebleken dat verdachte de gevolgen van zijn gedrag onvoldoende overziet en dat hij geen verantwoordelijkheid neemt. Uit verouderde rapportages kwamen aanwijzingen naar voren van een zwakbegaafd intelligentieniveau en antisociaal gedrag met sterke aanwijzingen voor een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Op het gebied van wonen en huisvesting worden weinig problemen gezien. Verder zijn er geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waarmee de rechtbank in zijn voordeel rekening kan houden. Ten nadele van de verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een lange gevangenisstraf, onder meer voor een levensdelict.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, zoals geëist door de officier van justitie, passend en geboden.
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr op te leggen, ter bescherming van de veiligheid van anderen. Deze maatregel maakt het mogelijk dat verdachte zich aan gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen zal moeten houden en zich moet conformeren aan langdurig toezicht van de reclassering, indien dit noodzakelijk blijkt in verband met het risico op herhaling. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan.
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten ziet de rechtbank ook aanleiding aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende twee jaren op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1993 en met haar dochter [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2023. De rechtbank zal bepalen dat voor iedere keer dat verdachte voornoemde maatregel overtreedt, 1 week vervangende hechtenis zal worden toegepast, met een maximum van 6 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 3] , tot een bedrag van 500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen. De vorderingen zijn voldoende onderbouwd en er is sprake van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering ten aanzien van [slachtoffer 1] aanzienlijk te matigen, vanwege de bepleite vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, mede gelet op de inconsistente verklaring van [slachtoffer 1] en vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen het ten laste gelegde en het gestelde psychische leed.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk te verklaren, nu er niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Ook hier is de raadsvrouw van mening dat er geen causaal verband is tussen het gestelde psychische leed en het handelen van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van [slachtoffer 3] (feit 2)
De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 BW Pro slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van machteloosheid vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feiten 1 en 3)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair en 3 bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) schat de rechtbank de hoogte van de schade op 5.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
Nu ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 38z, 46, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de feiten onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegd bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Legt aan veroordeelde op de
maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Legt aan veroordeelde op de
vrijheidsbeperkende maatregelgedurende als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, voor een periode van
2 jaren, inhoudende:
- dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opneemt, zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1993 en haar dochter [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2023.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 maanden.
Bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake de feiten 1 en 3 gedeeltelijk toe en veroordeelt veroordeelde om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt aan veroordeelde de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 50 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als veroordeelde voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] ter zake feit 2 niet-ontvankelijk. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] zijn eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J. van Bruggen en
mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. J.H. Nieboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. HR 20 februari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ0213) en HR 9 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1503).