ECLI:NL:RBNNE:2026:185

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
18.122483.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met dodelijke afloop en zwaar lichamelijk letsel door onoplettendheid van bestuurder

Op 22 augustus 2023 vond er een ernstig verkeersongeval plaats te Surhuisterveen, waarbij de verdachte, als bestuurder van een Renault, op de verkeerde weghelft reed en frontaal in botsing kwam met een Volkswagen. Dit resulteerde in de dood van de bestuurder van de Volkswagen, [slachtoffer 1], en zwaar lichamelijk letsel voor twee andere inzittenden, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, wat leidde tot het ongeval. Tijdens de rechtszaak heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van verontschuldigbare onmacht en dat de verdachte schuldig was aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank legde een voorwaardelijke taakstraf van 100 uren op, evenals een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden, met een proeftijd van een jaar. De uitspraak werd gedaan op 27 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.122483.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 augustus 2023 te Surhuisterveen
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(personenauto),
daarmede rijdende over de weg, [adres] ,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden
door aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
op een overzichtelijke weg,
(vlak) na een (flauwe) bocht naar links,
- te rijden op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer, althans onvoldoende
rechts te houden, en/of
- niet uit te wijken,
als gevolg waarvan een botsing is ontstaan met een hem tegemoetkomend voertuig,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood, en/of
waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk
letsel, te weten
- [slachtoffer 2] : ernstig traumatisch schedel hersenletsel (subarachnoïdale
puntbloedingen, klein subdurale bloeding links), cervicale fracturen (breuken
nekwervel(s)), epiduraal hematoom (bloeding tussen het harde hersenvlies en het
schedelbot), humerus fractuur beide zijden (breuken bovenarmen), ribfracturen
1-10 beide zijden, longcontusie (longkneuzing), fractuur L4 & L5 (breuken
lendenwervels), ramus superior fractuur beide zijden (breuken bovenste tak
schaambeen), sacrum fractuur (breuk heiligbeen) en/of hemiparese links
(halfzijdige verlamming)
- [slachtoffer 3] : licht traumatisch hersenletsel, seat belt sign op de romp,
onderarmfractuur, middenhandsbeenfractuur en/of dijbeenbreuk,
of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of
verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 augustus 2023 te Surhuisterveen
als bestuurder van een voertuig (personenauto),
daarmee rijdende op de weg, [adres] ,
op een overzichtelijke weg,
(vlak) na een (flauwe) bocht naar links,
- heeft gereden op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer, althans onvoldoende
rechts heeft gehouden, en/of
- niet heeft uitgeweken,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte zich gedurende een korte periode op de voor hem linkerweghelft heeft bevonden, maar dat niet kan worden bewezen dat verdachte daarbij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Er is enkel sprake geweest van een kort moment van mentale afwezigheid zonder aantoonbare oorzaak. Dit maakt dat geen sprake is van schuld in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen [1] die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.
Op 22 augustus 2023, omstreeks 14.34 uur, heeft er op [adres] bij Surhuisterveen een aanrijding plaatsgevonden tussen twee voertuigen. Bij deze aanrijding is een door verdachte bestuurde Renault in botsing gekomen met een Volkswagen, waarin zich [slachtoffer 1] als bestuurder bevond. In dit voertuig zaten ook [slachtoffer 2] en twee kinderen, onder wie [slachtoffer 3] . Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer 1] om het leven gekomen en hebben. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] letsel opgelopen. [2]
Uit geneeskundige verklaringen volgt dat het letsel dat [slachtoffer 2] heeft opgelopen bestaat uit ernstig traumatisch schedel hersenletsel (subarachnoïdale puntbloedingen, kleine subdurale bloeding links) en cervicale fracturen
(breuken nekwervels). Ook is sprake van een epiduraal hematoom
(bloeding tussen het harde hersenvlies en het schedelbot), een humerusfractuur aan beide zijden
(breuken bovenarmen), ribfracturen 1-10 aan beide zijden, een longcontusie
(longkneuzing), een fractuur L4 & L5
(breuken lendenwervels), een ramus superior fractuur aan beide zijden
(breuken bovenste tak schaambeen)en een sacrum fractuur
(breuk heiligbeen). Hierbij is sprake van een hemiparese links
(halfzijdige verlamming links). [3]
Het letsel dat [slachtoffer 3] bij het ongeval heeft opgelopen, bestaat uit licht traumatisch hersenletsel, een seatbelt sign op de romp, een onderarmfractuur, een middenhandsbeenfractuur en een dijbeenbreuk. Een plaat/schroef die in het dijbeen is geplaatst, zal na ongeveer 1 jaar operatief verwijderd moeten worden. [4] Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat hij een periode in een rolstoel heeft gezeten. [5]
Verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende dag als bestuurder van een blauwe Renault op [adres] richting de bebouwde kom van Surhuisterveen reed en dat hij toen in botsing is gekomen met een ander voertuig. [6]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij in zijn auto de verdachte tegemoet reed, met een snelheid van 50 a 70 km. De Volkswagen zag hij achter zich met gepaste afstand. De verdachte reed eerst op zijn eigen weghelft maar toen verdachte ongeveer 150 meter voor hem reed kwam verdachte ineens op de weghelft van [getuige] . Verdachte bleef rechtuit rijden op de verkeerde weghelft. [getuige] is toen uitgeweken en kwam met zijn auto in de berm waardoor verdachte hem net miste. Hij zag de aanrijding. [7]
Uit door de politie verricht forensisch onderzoek op de plaats van het ongeval volgt dat [adres] bestaat uit één rijbaan. Op de plaats van het verkeersongeval heeft deze een recht wegverloop; kort voor de ongevalslocatie maakt de weg een flauwe bocht naar links, gezien vanuit de rijrichting van verdachte. Ter hoogte van de ongevalslocatie is deze verdeeld in twee rijstroken die onderling gescheiden worden door een dubbele onderbroken asstreep. [8] De rijbaan is bestemd voor verkeer in beide richtingen en de maximumsnelheid ter plaatse is 80 kilometer per uur. Ten aanzien van de omstandigheden ten tijde van het ongeval volgt hieruit verder dat zicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet werd belemmerd. [9] Op een bijgevoegde situatietekening is zichtbaar dat de botsplaats van beide voertuigen, vrijwel geheel op de linkerweghelft is weergegeven. [10]
Op basis van het onderzoek zijn de verbalisanten tot de volgende interpretatie over de toedracht van het ongeval gekomen. De bestuurder van de Renault reed met het door hem bestuurde voertuig op [adres] in noordoostelijke richting. De bestuurder van de Volkswagen reed eveneens op [adres] maar dan in zuidwestelijke richting. Kort na een bocht naar links, gezien vanuit de rijrichting van de Renault, hield de bestuurder van de Renault niet uiterst rechts en kwam hij op de voor hem linkerweghelft terecht. Daar reed op dat moment de Volkswagen en dit voertuig botste vervolgens op de linkervoorzijde frontaal tegen de linkervoorzijde van de Renault. Uit het sporenonderzoek en uit het voertuigonderzoek is niet gebleken dat de toedracht van het ongeval voertuiggerelateerd was. Ook waren er geen omgevingsfactoren die van invloed waren op het ontstaan van het ongeval. Het ongeval is vrijwel zeker bestuurdersgerelateerd. [11]
Bewijsoverwegingen
Schuld
De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
(hierna: WVW 1994)moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
In het algemeen geldt dat onder schuld als bestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zodanige schuld – in dit geval van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag – komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 kan bovendien niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt. [12]
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte overdag op [adres] reed die bestond uit twee rijstoken voor het verkeer in beide richtingen, waarbij sprake was van rijstroken die voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar gescheiden zijn. Na een flauwe bocht naar links heeft verdachte niet zoveel mogelijk rechts gehouden, maar is hij zo ver naar links gereden dat hij daardoor op de voor hem linker en daarmee de voor hem verkeerde weghelft is terechtgekomen. Daarbij kon een tegenligger, [getuige] , die hem als eerste tegemoet kwam de auto van verdachte nog net ontwijken, waarbij de auto van [getuige] deels in de berm terecht kwam. Verdachte, die zich nog steeds nagenoeg geheel met zijn voertuig op de voor hem linkerweghelft bevond, kwam vervolgens in frontale botsing met de auto bestuurd door [slachtoffer 1] .
De rechtbank overweegt dat de hiervoor beschreven wegsituatie bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid vraagt van weggebruikers. Verdachte heeft zich gelet op de afstand die hij heeft afgelegd op deze weg gedurende enige tijd, en niet gedurende een enkel moment, op de voor hem verkeerde weghelft bevonden, terwijl er op korte afstand tegenliggers naderden. De rechtbank is van oordeel dat dit verkeersgedrag in beginsel als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en daarmee schuld oplevert als bedoeld in artikel 6 WVW 1994. Dit kan anders zijn als bijvoorbeeld aannemelijk wordt dat verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde.
Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij zich niet kan herinneren hoe hij op de betreffende weghelft terecht is gekomen en dat hij zich evenmin kan herinneren hoe het ongeval vervolgens heeft plaatsgevonden. Na het ongeval is hij in het ziekenhuis waar hij geruime tijd heeft verbleven, onderzocht. Een mogelijke verklaring voor het ongeval zou kunnen zijn dat hij als gevolg van een medische oorzaak tijdelijk het bewustzijn heeft verloren of onmachtig is geweest om zijn aandacht bij de weg te houden.
Naar aanleiding van het voorgaande is onderzoek verricht door een forensisch medisch deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). De deskundige concludeert dat er op basis van de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen zijn dat direct voorafgaand aan of ten tijde van het ongeval sprake was van een cardiologisch of neurologisch infarct/beroerte.
Gelet op deze bevindingen van de deskundige is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat bij verdachte direct voorafgaand aan en ten tijde van de aanrijding sprake was van een aandoening aan het hart of de hersenen die heeft geleid tot een situatie waarbij verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte bijvoorbeeld door een andere medische oorzaak in een dergelijke situatie verkeerde.
De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW 1994.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 22 augustus 2023 te Surhuisterveen,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, op een overzichtelijke weg, (vlak) na een flauwe bocht naar links,
- te rijden op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer en
- niet uit te wijken,
als gevolg waarvan een botsing is ontstaan met een hem tegemoetkomend voertuig,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1] , werd gedood, en
waardoor anderen, genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , zwaar lichamelijk letsel, te weten
- [slachtoffer 2] : ernstig traumatisch schedel hersenletsel (subarachnoïdale puntbloedingen, klein subdurale bloeding links), cervicale fracturen (breuken nekwervels), epiduraal hematoom (bloeding tussen het harde hersenvlies en het schedelbot), humerus fractuur beide zijden (breuken bovenarmen), ribfracturen 1-10 beide zijden, longcontusie (longkneuzing), fractuur L4 & L5 (breuken lendenwervels), ramus superior fractuur beide zijden (breuken bovenste tak schaambeen), sacrum fractuur (breuk heiligbeen) en hemiparese links (halfzijdige verlamming)
- [slachtoffer 1] : licht traumatisch hersenletsel, seatbelt sign op de romp, onderarmfractuur, middenhandsbeenfractuur en dijbeenbreuk,
werd toegebracht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot het uitvoeren van 100 uren taakstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat in geval van veroordeling in voor verdachte gunstige zin dient te worden afgeweken van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Gelet op het mediationgesprek dat verdachte met slachtoffer/nabestaande [slachtoffer 2] heeft gehad, heeft oplegging van straf geen toegevoegde waarde meer, zodat volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft op 22 augustus 2023 op [adres] bij Surhuisterveen een ernstig verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] om het leven is gekomen en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar gewond zijn geraakt. Toen verdachte van zijn werk naar huis reed, is hij op een tweebaansweg op de voor hem verkeerde weghelft gaan rijden en vervolgens frontaal in botsing gekomen met een ander voertuig dat hem tegemoet reed. De bestuurder, [slachtoffer 1] , van het tegemoetkomende voertuig is ter plekke overleden. Dit verkeersongeval is een dramatische gebeurtenis die diep ingrijpt in de levens van alle betrokkenen. [slachtoffer 1] is zijn leven verloren en zijn nabestaanden zullen moeten leven met het tragische en onomkeerbare verlies van hun dierbare. Daarboven ondervindt mevrouw [slachtoffer 2] tot op de dag van vandaag ernstige lichamelijke gevolgen van het ongeval.
Persoon van verdachte
Ook verdachte heeft door het ongeval zeer ernstig letsel opgelopen en lange tijd in het ziekenhuis gelegen. Hij heeft te leven met de lichamelijke beperkingen die blijvend zullen zijn. Hij kan daarnaast niet meer werken. De rechtbank heeft gezien dat verdachte het zwaar heeft met de gevolgen van het ongeval, voor hemzelf maar vooral ook met die voor de slachtoffers.
De reclassering schrijft dat zij niet kan beoordelen of de fysieke beperkingen van verdachte een taakstraf onmogelijk maken. Verder zou het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid betekenen dat verdachte verder wordt beperkt in zijn al beperkte bewegingsvrijheid en dat hij niet meer in staat is om zelfstandig naar zijn zorgafspraken te reizen.
Verdachte en mevrouw [slachtoffer 2] hebben samen een mediationtraject doorlopen. De rechtbank leest in de mediationovereenkomst dat beide partijen al eerder de wens hadden om met elkaar in gesprek te gaan maar dat dat helaas pas enkele weken voor de zitting is gelukt. Verder blijkt hieruit dat zij tijdens de mediation zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval voor de ander. Zij gunnen elkaar dat zij verder kunnen met het leven. Mevrouw [slachtoffer 2] heeft aangegeven dat het gesprek voor haar als afsluiting dient en dat zij geen waarde hecht aan een straf voor verdachte. De rechtbank is tot slot nadrukkelijk verzocht rekening te houden met de uitkomst van de mediation.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft voor de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor dit soort feiten. Evenals de officier van justitie, ziet de rechtbank redenen om hier gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval in sterke mate van af te wijken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte ernstige gevolgen ondervindt van het ongeval en deze zal blijven ondervinden. De rechtbank is onder de indruk van het mediationtraject en weegt dat mee. Dat doet zij ook met het tijdsverloop sinds het ongeval.
De rechtbank is van oordeel dat uit het oogpunt van generale preventie en normbevestiging wel een sanctie dient te volgen. De rechtbank zal daarom, conform de eis van de officier van justitie, een geheel voorwaardelijke taakstraf van 100 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van een jaar opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op een jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen- bromfietsen daaronder begrepen -
voor de tijd van zes maanden.
Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
een jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Dijkstra, voorzitter, mr. M.M. Spooren en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.

Voetnoten

1.De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2023223982, gesloten op 19 maart 2024.
2.Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 oktober 2023, p. 30 e.v.
3.Een geneeskundige verklaring, d.d. 6 februari 2024, p. 93 e.v. De cursief en tussen haakjes weergegeven woorden betreffen de termen die in het niet-medische spraakgebruik worden gehanteerd en die ook in de tenlastelegging staan weergegeven.
4.Een geneeskundige verklaring, d.d. 5 maart 2024, p. 90.
5.Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , d.d. 23 januari 2024, p. 95 e.v.
6.Een verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 januari 2026.
7.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , d.d. 22 augustus 2023, p. 7 e.v.
8.Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 12 oktober 2023, p. 45 e.v, meer specifiek p. 49 en 54 en de eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 13 januari 2026, van foto 6 die op p. 55 van voornoemd proces-verbaal is opgenomen. Hierop wordt het wegverloop voorafgaand aan de ongevalslocatie weergegeven en daarop is te zien dat de weg vlak daarvoor een flauwe bocht naar links maakt.
9.Voornoemd proces-verbaal van bevindingen, p. 59.
10.Voornoemd proces-verbaal van bevindingen, p. 76 en de eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 13 januari 2026, van een situatietekening die op p. 83 van voornoemd proces-verbaal staat weergegeven.
11.Voornoemd proces-verbaal van bevindingen, p. 78.
12.Vgl. Hoge Raad 15-10-2024, ECLI:NL:2024:1398.