Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1785

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
LEE 25/985
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66 Wet op de accijnsArt. 25 Wet op de accijnsArt. 1 Wet op de accijnsArt. 1 Burgerlijk WetboekRichtlijn (EU) 2020/262
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen accijnsvrijstelling voor cruiseschip gebruikt als tijdelijke huisvesting asielzoekers

Eiseres exploiteert een onderneming die schepen verhuurt, waaronder een cruiseschip dat sinds 2022 in [locatie] afgemeerd ligt voor de opvang van asielzoekers in opdracht van het COA. De inspecteur legde een naheffingsaanslag accijns op omdat het schip rode gasolie had gebunkerd, terwijl volgens de inspecteur geen vrijstelling van accijns van toepassing was.

De rechtbank beoordeelde of het schip vrijstelling van accijns kon krijgen op grond van artikel 66 van Pro de Wet op de accijns, dat vrijstelling verleent voor minerale oliën gebruikt voor de aandrijving van schepen die varen. De rechtbank concludeerde dat het schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen, omdat het contractueel en feitelijk wordt ingezet voor huisvesting van asielzoekers en afgemeerd ligt op een vaste ligplaats.

Hoewel het schip vaarklaar wordt gehouden en voldoet aan certificeringseisen, is het gebruik als drijvende opvanglocatie bepalend. Het feit dat het schip na de huisvesting weer kan varen, verandert hier niets aan. De rechtbank verwierp ook praktische bezwaren van eiseres over vermenging van brandstoffen. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag omdat het schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/985

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.C. Klompé),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Groningen, de inspecteur

(gemachtigde: mr. [naam 1] MSc).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 januari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres met dagtekening 27 september 2024 een naheffingsaanslag accijns opgelegd over het tijdvak januari 2024 ten bedrage van € 241.453 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en namens de inspecteur zijn gemachtigde en [naam 4] . Eiseres heeft op de zitting een pleitnota overgelegd.

Feiten

2.
2.1.
De bedrijfsactiviteiten van eiseres bestaan uit het drijven van een onderneming die zich richt op de verhuur en lease van schepen en de bemiddeling daarbij, in het bijzonder gericht op de publieke sector. De door eiseres ingehuurde schepen worden in overleg met lokale autoriteiten tijdelijk, meestal voor enkele maanden, afgemeerd op locaties waar de opdrachtgever van eiseres behoefte heeft aan tijdelijke grootschalige hotelaccommodatie. In het kader van haar ondernemingsactiviteiten verzorgt eiseres sinds 2020 voor het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op verschillende locaties in Nederland opvangaccommodaties op (passagiers)schepen.
2.2.
Voor deze opvang van asielzoekers huurt eiseres het cruiseschip ' [schip] ' (het schip) van eigenaar [bedrijf 2] . Sinds 2022 ligt het schip in [locatie] afgemeerd om asielzoekers op te vangen. De huurovereenkomst met het COA is aangegaan voor een periode van zes maanden en wordt als dit gewenst is, steeds verlengd met zes maanden. De (tijdelijke) ligplaats wordt in beginsel ook steeds voor zes maanden door [locatie] aangewezen en is verbonden aan het contract met het COA. Het COA kan het contract opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Eiseres kan het contract niet (voor de einddatum) opzeggen.
2.3.
Aan de (tijdelijke) ligplaats die door [locatie] wordt aangewezen zijn verdere voorwaarden verbonden. Zo moet het schip volledig gecertificeerd zijn als passagiersschip, altijd over een volledige en gekwalificeerde bemanning beschikken en op ieder moment in staat zijn om te vertrekken of te verplaatsen naar een andere ligplaats. Daarnaast is het schip verplicht bij harde wind de motoren draaiende te houden. Tijdens Sail Amsterdam 2025 moest het schip verplaatst worden om de ligplaats vrij te maken. Het schip wordt sowieso steeds vaarklaar gehouden en daarom moeten de technische installaties aan boord, waaronder de hoofdmotoren voor de voortstuwing, regelmatig in werking worden gesteld. Omdat voor het onderhoud de generatoren en de hoofdmotoren regelmatig worden gestart en getest heeft het schip ook tijdens het afgemeerd liggen brandstof nodig. De generatoren draaien voor elektriciteitsvoorziening en verder voor het aandrijven van pompinstallaties, warmwatervoorziening en voor onderhoudsdoeleinden. Op enig moment heeft [locatie] een walstroomaansluiting beschikbaar gesteld, zodat voor de elektriciteitsvoorziening aan boord de generatoren niet meer continu hoeven te draaien. In januari 2024, het tijdvak waarop de naheffingsaanslag ziet, was die walstroomaansluiting nog niet gerealiseerd. Daarnaast is het schip de gehele periode dat het in [locatie] ligt, aangesloten op het riool.
2.4.
In november 2022 heeft eiseres een e-mail van de inspecteur ontvangen waarin hij aangeeft dat het schip als een schip met woonfunctie wordt aangemerkt en om die reden niet in aanmerking komt voor bunkeren met vrijstelling.
2.5.
De inspecteur heeft op 31 januari 2024 een fysieke controle aan boord van het schip uitgevoerd. Bij deze controle is geconstateerd dat het schip is gebunkerd door een motortankschip van [bedrijf 3] B.V. Hierbij is ruim 100.000 liter minerale oliën voorzien van herkenningsmiddelen (rode gasolie) afgeleverd aan en in de brandstoftanks van het schip.
2.6.
Op 27 september 2024 is de naheffingsaanslag aan eiseres opgelegd, voor een bedrag van € 241.453 (bestaande uit accijns minerale oliën van € 237.769 en voorraadheffing gasolie van € 3.684).

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is de hoogte van de naheffingsaanslag verder niet in geschil.
4. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, Hierna legt de rechtbank uit hoe ze tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
5. De voor de beoordeling belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Hieronder volgt een korte omschrijving van deze wettekst.
5.1.
De nationale wetgeving voor accijnzen wordt vooral ingevuld door Europese regelgeving. De basis van de Europese accijnswetgeving is de zogenoemde horizontale richtlijn (Richtlijn (EU) 2020/262). Naast deze algemene richtlijn zijn er ook specifieke richtlijnen voor de verschillende producten waarvan accijns wordt geheven. Voor minerale oliën is de Energiebelastingrichtlijn (Richtlijn 2003/96) van toepassing.
5.2.
In artikel 1 van Pro de Wet op de accijns (WA) zijn de goederen opgesomd waarvan accijns wordt geheven. In deze opsomming staat ook de categorie ‘minerale oliën’. Het schip wordt voorzien van gasolie en dit product is op grond van artikel 25, eerste lid van de WA aangewezen als minerale olie en dus een product waarvan accijns kan worden geheven. Het belastbaar feit is ‘de uitslag tot verbruik van die accijnsgoederen’. Onder deze uitslag tot verbruik wordt onder meer begrepen het in strijd met de wettelijke bepalingen voorhanden hebben, opslaan of gebruiken van minerale oliën die van herkenningsmiddelen zijn voorzien. In artikel 66, eerste lid van de WA is geregeld dat een vrijstelling van accijns kan worden verleend voor minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van de schepen. Het leveren van minerale oliën voor dit doel wordt in de praktijk ook wel aangeduid als ‘bunkeren’. Om gebruik te mogen maken van deze vrijstelling moet (in dit geval) de gasolie zijn voorzien van een herkenningsmiddel. Daarnaast moet aan gasolie een voldoende hoeveelheid rode kleurstof worden toegevoegd, zodat het een goed zichtbare en blijvende rode kleur heeft. Door deze rode kleur wordt gebunkerde gasolie ook wel rode gasolie genoemd. Als een schip rode gasolie in zijn tank heeft zitten maar niet voldoet aan de wettelijke bepalingen, dan is dit op grond van de wet uitslag tot verbruik en kan accijns worden geheven.
5.3.
In de WA is het begrip schip niet gedefinieerd en daarom is voor de definitie aansluiting gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW). Het BW verstaat onder schepen: ‘alle zaken, geen luchtvaartuig zijn, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven, en drijven of hebben gedreven’. Dit is een ruime omschrijving, maar het is niet zo dat alle schepen gebruik kunnen maken van de vrijstelling uit de WA. De vrijstelling is op grond van artikel 66, tweede lid van de WA namelijk niet van toepassing op minerale oliën die worden gebruikt voor pleziervaartuigen of die worden gebruikt aan boord van schepen die kennelijk niet worden gebruikt om te varen. Voor schepen met een vaste ligplaats, zoals woonschepen, drijvende hotels en dergelijke, geldt daarom geen vrijstelling.
5.4.
Het schip van eiseres wordt, in elk geval in het naheffingstijdvak, gebruikt voor de tijdelijke huisvesting van asielzoekers. De rechtbank moet antwoord geven op de vraag of deze tijdelijke huisvesting meebrengt dat het schip kennelijk niet meer wordt gebruikt om te varen en dat daarom geen gebruik gemaakt kan worden van de vrijstelling van artikel 66, eerste lid van de WA.
Wordt het schip kennelijk niet gebruikt om te varen?
6. Eiseres is van mening dat zij voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling. Weliswaar ligt het schip nu aangemeerd, maar iedereen die een blik werpt op het schip ziet een schip en het is duidelijk dat er gewoon mee gevaren kan worden. Volgens eiseres is het niet zo dat, omdat zij momenteel asielzoekers opvangt op het schip, het daarmee kennelijk is dat het schip niet wordt gebruikt om te varen. Ter onderbouwing van haar stelling voert eiseres aan dat onder meer de volgende omstandigheden er juist op wijzen dat het schip wel kan worden gebruikt om te varen:
  • het schip wordt te allen tijde vaarklaar gehouden;
  • er is continu een complete, gekwalificeerde bemanning aanwezig;
  • alle certificering (als passagiersschip) wordt up-to-date gehouden;
  • het schip heeft geen vaste ligplaats, maar steeds een voor zes maanden aangewezen – en dus tijdelijke – ligplaats;
  • het schip ligt niet de gehele tijd stil: zo moeten de motoren bij harde wind in werking worden gesteld en heeft het schip haar ligplaats ook tijdens Sail Amsterdam verlaten. Daarnaast liggen andere schepen die varen ook regelmatig (langere) periodes stil, bijvoorbeeld om te laden en lossen.
Volgens eiseres heeft het schip wel een hotelfunctie, maar kan het niet worden vergeleken met een vast afgemeerd hotelschip (waarvoor geen vrijstelling geldt). Zo’n hotelschip hoeft immers niet bemand en gecertificeerd te worden als varend schip en is doorgaans helemaal niet meer in staat om zelfstandig te varen, omdat het niet (langer) over een bruikbare hoofdmotor beschikt, aldus eiseres. Dit is een wezenlijk verschil met het schip van eiseres dat volgens eiseres per direct weer in de vaart genomen kan worden.
7. De inspecteur is van mening dat het schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen, omdat het wordt gebruikt voor de huisvesting van asielzoekers. Dat het schip een zeegaand passagiersschip (cruiseschip) is, maakt dit volgens de inspecteur niet anders. Het schip kan (tegen betaling) bedrijfsmatig personen vervoeren, maar het schip wordt hiervoor in de periode januari 2024 feitelijk en kennelijk niet gebruikt. Dat het schip beschikt over de benodigde certificaten en bemanning, maakt volgens de inspecteur ook niet dat er per definitie sprake is van een varend schip. De periode dat een schip stilligt, kan volgens de inspecteur een indicatie zijn dat een schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen, maar is niet leidend. In onderhavige situatie blijkt volgens de inspecteur duidelijk uit het gebruik van het schip (opvang van asielzoekers) dat het schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen. Dat het schip moet kunnen worden verplaatst vanwege veiligheidsredenen of moet worden verplaatst in verband met Sail Amsterdam betekent niet dat het dan een schip is dat wordt gebruikt om te varen in de tegenovergestelde zin van artikel 66, tweede lid van de WA, aldus de inspecteur. Als de rechtbank van oordeel is dat het schip wel wordt gebruikt om te varen, dan stelt de inspecteur zich subsidiair op het standpunt dat geen gebruik gemaakt kan worden van de vrijstelling omdat het een pleziervaartuig is.
8. De rechtbank constateert allereerst dat het begrip ‘kennelijk niet worden gebruikt om te varen’ niet verder is toegelicht in de WA of in andere belastingwetgeving. Ook in de wetsgeschiedenis is geen duidelijke definitie van dit begrip terug te vinden. Wel heeft de Hoge Raad – weliswaar in een zaak waar een andere rechtsvraag speelde – prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld over artikel 66 van Pro de WA. In het arrest waarin de Hoge Raad deze prejudiciële vragen stelt is onder meer het volgende opgenomen:
6.2.2
Artikel 66, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet voorziet – onder voorwaarden – in een vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen en voor scheepsbehoeften aan boord van schepen. (…)
6.2.3
Volgens artikel 1 van Pro de Energiebelastingrichtlijn moeten lidstaten op energieproducten belasting heffen overeenkomstig deze richtlijn. Uit artikel 3 van Pro de Energiebelastingrichtlijn volgt dat onder die belasting accijnzen zijn begrepen. In artikel 14, lid 1, aanhef en letter c, van de Energiebelastingrichtlijn is voorzien in vrijstelling van belasting voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van visserij). Volgens de aanhef van dit artikellid moeten de lidstaten deze vrijstelling verlenen op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze belastingvrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen.
6.2.4
Artikel 66, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet strekt onder meer tot uitvoering van artikel 14, lid 1, aanhef en van de Energiebelastingrichtlijn. [1]
In antwoord op deze prejudiciële vragen is onder meer het volgende geschreven:

47. Wat de onderhavige zaak betreft, artikel 14, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/96 bepaalt dat de lidstaten, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen, met name vrijstelling verlenen voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op wateren van de Unie en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen.
48. In dat verband dient te worden benadrukt dat het begrip „wateren van de Unie” in de zin van deze bepaling aldus moet worden opgevat dat het alle wateren omvat waarin normaliter zeescheepvaart voor commerciële doeleinden plaatsvindt (zie naar analogie arrest van 1 maart 2007, Jan De Nul, C-391/05, EU:C:2007:126, punt 26).
49. De eerste prejudiciële vraag heeft echter betrekking op het gebruik van een energieproduct als brandstof voor de vaart op de binnenwateren van de Unie. Dit gebruik valt onder artikel 15, lid 1, onder f), van richtlijn 2003/96, op grond waarvan de lidstaten, onder fiscaal toezicht, met name gehele of gedeeltelijke belastingvrijstellingen of -verlagingen kunnen toepassen op onder andere energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op binnenwateren en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen.
(…)
54. Zoals blijkt uit deze bepaling, gelezen in het licht van artikel 14, lid 1, onder c), tweede alinea, van die richtlijn, is de aldus aan de lidstaten geboden mogelijkheid, aangezien daarbij pleziervaartuigen worden uitgesloten, in het bijzonder beperkt tot energieproducten die worden gebruikt als brandstof voor de vaart op binnenwateren van de Unie voor commerciële doeleinden, te weten gebruik waarbij een vaartuig rechtstreeks dient voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel (zie naar analogie arrest van 16 september 2021, Commissie/Italië (Accijns-Brandstof voor pleziervaartuigen), C-341/20, EU:C:2021:744, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55. Uit de bewoordingen van artikel 15, lid 1, onder f), van richtlijn 2003/96 volgt derhalve dat de lidstaten met name het recht hebben om een energieproduct zoals gasolie vrij te stellen van de belasting waarin deze richtlijn voorziet, op voorwaarde dat dit product wordt gebruikt als brandstof voor scheepvaartactiviteiten op binnenwateren van de Unie voor commerciële doeleinden.
56. Wat in de tweede plaats de context van artikel 15, lid 1, onder f), van richtlijn 2003/96 betreft, moet worden benadrukt dat de algemene opzet van deze richtlijn berust op het beginsel dat energieproducten worden belast volgens het werkelijke gebruik dat ervan wordt gemaakt (zie in die zin arrest van 25 april 2024, Bitulpetrolium Serv, C-657/22, EU:C:2024:353, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). [2]
9. In de wetsgeschiedenis bij artikel 66 van Pro de WA (op dat moment nog artikel 67 van Pro de WA) is het volgende geschreven:

Het eerste lid, onderdeel a, bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling van accijns kan worden verleend ter zake van de uitslag en de invoer van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen. Deze vrijstelling is van toepassing voor minerale oliën die worden verbruikt aan boord van schepen die Nederland uitgaan dan wel aan boord van schepen die gebruik maken van de waterwegen in Nederland anders dan bij het uitgaan. Voor eerstbedoelde schepen wordt vrijstelling verleend ten einde het gebruik van minerale oliën buiten Nederland onbelast te laten plaatshebben. De vrijstelling voor de vaart in Nederland houdt verband met de volkenrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit de Herziene Rijnvaartakte van 1868 (Trb. 1955, 61) en de Overeenkomst van 16 mei 1952 betreffende het douane– en belasting regime voor gasolie die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt (Trb. 104).
(…)
Ingevolge het tweede lid is van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstelling uitgezonderd het gebruik van minerale oliën voor pleziervaartuigen die niet of niet rechtstreeks naar het buitenland gaan alsmede het gebruik van die oliën aan boord van schepen die kennelijk niet worden gebruikt om te varen. De bij het eerste lid uiteengezette argumenten voor de vrijstelling gelden ten aanzien van de hierbedoelde vaartuigen niet. [3]
10. De rechtbank leidt uit de onder 8. en 9. weergegeven passages af dat de in artikel 66 van Pro de WA opgenomen vrijstelling is ingegeven met het oog op een vrije en gemeenschappelijke handels- en/of transportmarkt binnen de scheepvaart en dat onder het begrip ‘varen’ wordt gedoeld op de scheepvaart voor commerciële doeleinden.
11. De rechtbank stelt vast dat er een overeenkomst is gesloten tussen eiseres en het COA op basis waarvan het COA tegen betaling asielzoekers huisvest op het schip gedurende onder andere de periode januari 2024. Door de huisvesting van deze asielzoekers kan het schip in die periode niet worden gebruikt om, al dan niet (tegen betaling) met personen of goederen aan boord, over (inter)nationale wateren te varen. Dat is een welbewuste keuze geweest van eiseres bij het sluiten van de overeenkomst met het COA. Daaruit concludeert de rechtbank dat in ieder geval het beoogde gebruik van het schip op basis van het contract het huisvesten van asielzoekers was, en niet het varen met het schip met personen of goederen aan boord. Eiseres treedt in deze periode daarmee dus ook niet in concurrentie met varende schepen in de commerciële scheepvaart, maar met partijen die voorzien in (tijdelijke) huisvestingslocaties.
12. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de huisvesting van asielzoekers in januari 2024 ook feitelijk heeft plaatsgevonden. De ligplaats in [locatie] is door [locatie] aangewezen voor de looptijd van de overeenkomst tussen eiseres en het COA. Er is geen sprake van een vaste ligplaats voor onbepaalde tijd, maar er is gedurende de looptijd van de overeenkomst tussen eiseres en het COA wel sprake van een aangewezen (vaste) ligplaats die ook direct met die overeenkomst samenhangt. Aan deze ligplaats zijn diverse voorwaarden verbonden (zie 2.3.). De omstandigheden die er volgens eiseres op duiden dat het schip kennelijk wordt gebruikt om te varen, waaronder de vaargereedheid, de certificering als passagiersschip en de aanwezigheid van een complete bemanning, zijn ook allemaal voorwaarden waaraan eiseres volgens [locatie] moet voldoen om überhaupt gebruik te mogen maken van de ligplaats. Uit de door eiseres aangevoerde omstandigheden leidt de rechtbank af dat daarmee aan de door [locatie] gestelde voorwaarden voor de ligplaats wordt voldaan zodat de huisvesting van asielzoekers daar kan plaatsvinden op het schip. Dit brengt met zich dat de rechtbank van oordeel is dat het schip in januari 2024 kennelijk niet gebruikt wordt om te varen.
13. Dat het schip, zoals eiseres heeft gesteld, nadat de (tijdelijke) huisvesting is gestopt gelijk weer in de vaart genomen kan worden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het woord ‘kennelijk’ brengt niet met zich mee dat enkel uit de uiterlijke verschijningsvorm moet blijken dat het schip kennelijk niet gebruikt wordt om mee te varen. De omstandigheden waaronder het schip wordt verhuurd en in gebruik is genomen, moeten eveneens worden meegenomen in deze beoordeling. Het feit dat eiseres zich heeft verbonden om gedurende een langere periode, waaronder de periode waarop de naheffingsaanslag ziet, asielzoekers te huisvesten op het schip waarbij eveneens de afspraak is gemaakt om het schip daarbij af te meren op een vaste ligplaats, brengt met zich dat het schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen.
14. Gelet op wat hiervoor is geschreven, is de rechtbank van oordeel dat het schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen. Dat betekent dat eiseres de vrijstelling van artikel 66, eerste lid van de WA niet kan toepassen.
15. Nu de rechtbank het primaire standpunt van de inspecteur volgt, hoeft de rechtbank het subsidiaire standpunt van de inspecteur (over de kwalificatie van het schip als pleziervaartuig) niet meer te bespreken.
Praktische bezwaren
16. Eiseres heeft aangegeven dat het niet kunnen toepassen van de vrijstelling tot praktische bezwaren en/of onuitvoerbaarheid zou(den) leiden: zo heeft zij geen aparte bunkers voor rode gasolie en gewone gasolie. Dit leidt ertoe dat de twee verschillende typen gasolie in de bunker zullen vermengen.
17. De rechtbank kan zich voorstellen dat in bepaalde gevallen rode gasolie en gewone gasolie kunnen vermengen in de bunker van een schip. Vermenging kan ertoe leiden dat er een ander (lager) gehalte aan herkenningsmiddelen in de aanwezige gasolie aanwezig is, maar dat vormt op zichzelf geen belemmering om de vrijstelling in de toekomst (weer) toe te kunnen passen. Van belang is dat aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling wordt voldaan, zoals het gebruik als brandstof voor de commerciële vaart op binnenwateren van de Europese Unie. [4] De inspecteur heeft daarnaast ter zitting aangegeven dat hier eventueel praktische afspraken over gemaakt kunnen worden met de Douane. De rechtbank ziet in deze praktische bezwaren van eiseres, wat daar ook van zij, dan ook geen reden om te oordelen dat de vrijstelling alsnog moet worden toegepast.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, voorzitter, en mr. M. Sanna en
mr. F. Brekelmans, leden, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
voorzitter
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:187.
2.HvJ EU 13 maart 2025, ECLI:EU:C:2025:179.
4.HvJ EU 13 maart 2025, ECLI:EU:C:2025:179.