Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1783

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
LEE 24/5132
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.1 OwArt. 1.112 OwArt. 41.2 OwWabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek bouw woning met afwijkende peilhoogte in Coevorden

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek tegen de bouw van een woning op een perceel in Coevorden, waarbij de peilhoogte van de woning afwijkt van de verleende omgevingsvergunning.

Eiser stelde dat de afwijking van 42 cm in peilhoogte leidt tot nadelige gevolgen zoals wateroverlast, een te hoge schutting en een woning die op een terp ligt terwijl zijn woning in een dal ligt. Hij vorderde geen afbraak van de woning, maar wel schadeloosstelling. Het college had het handhavingsverzoek afgewezen omdat handhaving onevenredig zou zijn en de woning niet te hoog gebouwd is volgens het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft zijn schade niet met concrete, objectieve gegevens onderbouwd, waardoor geen verplichting tot schadevergoeding of nadeelcompensatie bestaat. Daarnaast staat de gevraagde vergunningverlening los van de handhavingsprocedure. De rechtbank bevestigde dat de woning binnen de maximale bouwhoogte volgens het bestemmingsplan valt en dat het handhavingsverzoek zich beperkt tot de bouw van de woning, niet tot de schutting of wateroverlast.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5132

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[naam], uit Coevorden, eiser

(gemachtigde: mr. C.S.G. de Lange),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden

(gemachtigden: M. Aalders en N. Dokter).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [naam] en [naam] uit Coevorden

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om handhavend op te treden tegen de bouw van een woning op het perceel [adres] te Coevorden (het perceel). Eiser is het niet eens met die afwijzing. Aan de hand van eisers beroep beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 1 augustus 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de woning op het perceel. Op de tekening bij de omgevingsvergunning staat dat het peil van de woning gelijk is aan het peil van de naastgelegen woning met huisnummer 7 (het perceel van eiser).
2.1.
Eiser heeft op 15 november 2023 een handhavingsverzoek ingediend vanwege de peilhoogte van de woning op het perceel.
2.2.
Het college heeft het handhavingsverzoek op 8 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn echtgenote en zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, blijft het recht zoals dat gold tot 1 januari 2024 van toepassing tot het besluit op het verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving is gedaan op 15 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
4. Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden (beginselplicht tot handhaving). Bij de vraag of van handhavend optreden kan worden afgezien, moet beoordeeld worden of handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. [1]
Wat is niet in geschil?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning wat betreft de in de bouwtekening opgenomen peilhoogte is gebouwd in afwijking van de omgevingsvergunning. De afwijking is door de toezichthouder van het college vastgesteld op 42 cm. De woning is daardoor hoger komen te liggen dan in de vergunde situatie. Verder is niet (meer) in geschil dat gebouwd is in strijd met het voorschrift dat niet mag worden begonnen met bouwen voordat de peilhoogte is aangegeven.
Wat is in geschil?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bouw in afwijking van de omgevingsvergunning niet zonder gevolgen kan blijven. Eiser wil niet dat de woning wordt afgebroken en opnieuw wordt opgebouwd conform de vergunning, maar hij wil wel dat zijn schade vergoed wordt. Als gevolg van de afwijkende peilhoogte is de totale bouwhoogte van de woning hoger geworden en ligt die woning volgens eiser op een terp en eisers woning in een dal. Verder noemt eiser als gevolgen van de afwijkende peilhoogte dat de schutting op het perceel te hoog is gebouwd is en dat hij wateroverlast ondervindt, en dat hij geen mogelijkheid heeft om daartegen op te treden als het bestreden besluit in stand blijft.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat handhaving onevenredig is vanwege het gevolg, namelijk dat de woning (die al volledig gerealiseerd is) zou moeten worden afgebroken. Volgens het college is de woning zelf niet te hoog gebouwd, uitgaande van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang als het peil. Verder is de verhoging volgens het college aanvaardbaar en zijn er geen substantiële nadelige gevolgen voor de privacy of daglichttoetreding van omwonenden. Legalisatie zou niet meer dan een administratieve handeling zijn, omdat daarvoor alleen een bouwtechnische omgevingsvergunning nodig is. [2] Vergoeding van planschade of andere schade is in deze handhavingsprocedure volgens het college niet aan de orde.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser met zijn handhavingsverzoek uitdrukkelijk niet heeft beoogd dat de reeds gebouwde woning wordt afgebroken. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat dat (ook) volgens hem onredelijk zou zijn, maar hij wil wel schadeloos worden gesteld. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
8.1.
Voor zover eiser betoogt dat het college niet had kunnen afzien van handhaving zonder aan eiser schade te vergoeden, slaagt het beroep niet. Eiser heeft wel gesteld dat hij schade heeft geleden, maar hij heeft de gestelde schade niet met concrete, objectieve gegevens onderbouwd. Uit de enkele stellingen dat door de verhoging van het peil eisers woning in een dal is komen te liggen, de schutting op het perceel te hoog is gebouwd en sprake is van wateroverlast, wat daar verder ook van zij, kan geen concrete schade worden afgeleid. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te oordelen dat het college gehouden was om eiser bij de afwijzing van zijn handhavingsverzoek nadeelcompensatie of schadevergoeding aan te bieden. [3]
8.2.
De rechtbank begrijpt het beroep verder zo dat eiser wil betogen dat het college niet had kunnen afzien van handhaving zonder het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (als grondslag voor planschade of nadeelcompensatie). De door eiser gewenste vergunningverlening staat los van de onderhavige handhavingszaak. Alleen daarom slaagt deze beroepsgrond al niet. Bovendien kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat de woning - uitgaande van de regels van het bestemmingsplan Kernen en de daarin opgenomen definitie van ‘peil’ - de maximale bouwhoogte niet overschrijdt. [4] Het peil voor een gebouw is gedefinieerd als de hoogte van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang. Het bestemmingsplan gaat dus niet uit van de hoogte van het oorspronkelijke terrein of van omliggend terrein en evenmin van het straatpeil. Dat is in dit geval niet anders na de inwerkingtreding van het Veegplan bestemmingsplan Kernen waarnaar eiser nog heeft verwezen.
8.3.
Tot slot overweegt de rechtbank dat eisers argument dat hij bij het in stand blijven van het bestreden besluit geen mogelijkheid heeft om op te treden tegen de volgens hem te hoge schutting en tegen de door hem gestelde wateroverlast, geen stand houdt. Het voorliggende handhavingsverzoek gaat over de bouw van de woning in afwijking van de omgevingsvergunning en niet over eventuele handhaving van de bouw van de schutting, waarvoor een eigen afwegingskader geldt. De door hem gestelde wateroverlast en de mogelijke oorzaak daarvoor heeft eiser niet geconcretiseerd of onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
2.Een vergunning op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3885.
4.Het bestemmingsplan Kernen geldt sinds 1 januari 2024 als tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Coevorden, op grond van artikel 22.1 van de Ow. In artikel 1.112 staat de definitie van ‘peil’ en in artikel 41.2 onder k de maximaal toegestane bouwhoogte binnen de bestemming Woongebied.