Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1716

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
LEE 26/970
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1 Bbz 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbaar bedrijf

Verzoekster, een zelfstandige met een hondenspeciaalzaak, vroeg om verlenging van haar Bbz-uitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees dit verzoek af omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar tegen deze afwijzing geen redelijke kans van slagen heeft.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster sinds 1 januari 2026 geen Bbz-uitkering meer ontvangt en dat er sprake is van een spoedeisend belang. Uit de stukken blijkt dat de exploitatiebegroting niet is gehaald en dat er over 2024 en 2025 verlies is geleden. De prognose voor 2026 is niet aannemelijk en er is geen zicht op een inkomen boven de bijstandsnorm.

Verzoekster betoogt dat zij nog een jaar nodig heeft om het bedrijf levensvatbaar te maken, onderbouwd met positieve klantrecensies en verkoopcijfers. De voorzieningenrechter acht dit onvoldoende, mede omdat de winststijging pas na de beoordelingsperiode wordt verwacht en niet objectief is onderbouwd.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en blijft het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot verlenging van de Bbz-uitkering wordt afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/970

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college
(gemachtigde: G. Veenstra).

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Verzoekster is het met de afwijzing niet eens. Zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat het bedrijf van verzoekster niet levensvatbaar is en wijst het verzoek af.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 5 februari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster om verlenging van haar Bbz-uitkering afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
2. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor haar onevenredig bezwaarlijk maakt dat zij de beslissing in de hoofdzaak af moet wachten.
2.1.
In het feit dat verzoekster sinds 1 januari 2026 geen Bbz-uitkering meer ontvangt en mede in de door haar geschetste financiële situatie ziet voorzieningenrechter aanleiding om uit te gaan van een spoedeisend belang.
Inhoudelijke beoordeling
3. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen dat het college haar Bbz-uitkering voortzet totdat op haar bezwaarschrift is beslist. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
3.1
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Verzoekster is gestart als zelfstandige met haar eenmanszaak BABOO, een hondenspeciaalzaak. Het college heeft van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 (telkens voor een periode van een half jaar) een Bbz-uitkering aan verzoekster toegekend. Zij heeft op een aanvraag gedaan om verlenging van de uitkering.
4.1
Het college heeft voor de beoordeling van de aanvraag de door verzoekster overgelegde stukken bekeken. Uit die stukken en de gegevens die al beschikbaar waren heeft het college geconcludeerd dat de exploitatiebegroting niet is gehaald en er steeds sprake is van verlies. De forse investeringen in de marketing hebben niet tot resultaat geleid. De door verzoekster ingediende begroting voor 2026 acht het college op grond van de cijfers niet aannemelijk. Bij de beoordeling vindt het college het ook van belang dat verzoekster bij de gemeente nog een onafgelost krediet heeft en dat zij privé-leningen heeft genomen.
4.2
In het bestreden besluit heeft het college aan verzoekster meegedeeld dat haar bedrijf niet levensvatbaar is, en dat daarom de Bbz-uitkering die zij ontvangt niet wordt verlengd.
4.3
Verzoekster voert aan dat zij nog een jaar nodig heeft nodig heeft om haar bedrijf levensvatbaar te maken. Om dit mogelijk te maken heeft zij de Bbz-uitkering nodig. Uit de praktijk blijkt dat het opstarten van e-commerce veel tijd en geld kost, met name voor het bouwen van de website, de complexe automatiseringsprocessen en marketingkosten. Zij heeft nog tijd nodig om alles goed op orde te krijgen. Op basis van onder meer haar eigen prognose voor 2026, de goede recensies van haar vele klanten en de verkoopcijfers in de afgelopen jaren vindt verzoekster het niet onrealistisch dat zij met haar bedrijf voldoende inkomsten kan gaan verwerven. Verzoekster wil in verband daarmee dat de Bbz-uitkering nog een jaar wordt verlengd.
5. Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van verzoeker levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.
5.1
Levensvatbaar is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dat betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.
5.2
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op basis van de gegevens die voorliggen terecht geconcludeerd dat de onderneming van verzoekster niet binnen een termijn van drie jaar levensvatbaar wordt. Uit de cijfers blijkt dat de exploitatiebegroting, waarop de uitkering mede is gebaseerd bij lange na niet is gehaald. De onderneming van verzoekster heeft over 2024 en 2025 verlies geleden en – anders dan verzoekster met haar exploitatiebegroting voor 2026 poogt te onderbouwen – is er ook voor 2026 geen zicht op dat verzoekster met haar activiteiten in dat jaar een inkomen boven de bijstandsnorm zal behalen. Overigens blijkt uit die exploitatiebegroting dat verzoekster zelf ook niet verwacht in 2026 een dergelijk inkomen te genereren. Dat volgens verzoekster in de jaren daarna de winst van haar onderneming substantieel zal stijgen is, gelet op de beoordelingsperiode, voor de onderhavige zaak niet van belang en ook overigens niet met objectieve gegevens onderbouwd.
5.3
De voorzieningenrechter is resumerend van oordeel dat het college op goede gronden de aanvraag van verzoekster om verlenging van haar Bbz-uitkering heeft afgewezen. Het bestreden besluit zal daarom naar verwachting in bezwaar in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.