ECLI:NL:RBNNE:2026:1715
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende spoedeisend belang
Verzoeker heeft een WIA-uitkering ontvangen vanaf 16 december 2024. Op 16 februari 2026 is op bezwaar van zijn voormalige werkgever de uitkering per 31 maart 2026 beëindigd. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de uitkering te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hoewel verzoeker stelt geen inkomen meer te hebben en geen financiële reserves bezit, is niet gebleken dat hij geen recht heeft op een bijstandsuitkering, die als eerst voorliggende voorziening geldt.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het enkele bestaan van een mogelijke aanspraak op bijstand het spoedeisend belang niet wegneemt. Ook de stelling dat bijstand lager is dan de WIA-uitkering en dat de aanvraagprocedure tijd kost, leidt niet tot een acute noodsituatie. De gemeente kan voorschotten verstrekken in afwachting van een besluit.
Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging WIA-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.