De rechtbank Noord-Nederland heeft op 13 april 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen partijen gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. De man verzocht de echtscheiding uit te spreken, het hoofdverblijf van het minderjarige kind bij de vrouw vast te stellen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap te regelen. De vrouw stemde in met de echtscheiding maar verzocht tot referte voor de overige punten.
De rechtbank oordeelde dat de woning, ondanks financiering uit het privévermogen van de man, onderdeel is van de wettelijk beperkte gemeenschap omdat de levering aan beiden is geschied. De man heeft een vergoedingsrecht (reprise) ter grootte van de helft van de marktwaarde van de woning, omdat hij de volledige koopsom betaalde. Dit recht kan worden verrekend met het aandeel van de vrouw, waardoor de woning aan de man wordt toegedeeld zonder dat hij aan de vrouw hoeft te betalen.
De zorgregeling voor het minderjarige kind werd vastgesteld conform de afspraken van partijen en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Verder werden afspraken gemaakt over de verdeling van schulden en boetes. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behoudens de echtscheiding zelf.