Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1545

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25-031661
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 WWETGCArt. 19 lid 1 sub h Verordening 2018/1805Art. 47 Handvest EUArt. 6 EVRMArt. 1 lid 3 Verordening 2018/1805
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging Belgisch confiscatiebevel

De veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel opgelegd door de Belgische rechtbank van eerste aanleg Antwerpen uit 2019. Hij voerde aan dat de overschrijding van de tijd tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging een schending van het recht op een redelijke termijn inhoudt, en dat erkenning daarom geweigerd had moeten worden op grond van artikel 19 lid 1 sub h van Pro Verordening 2018/1805 en artikel 39 van Pro de WWETGC.

De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van tijd binnen de wettelijke executietermijn niet in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde en dat het enkele verstrijken van tijd geen gerechtvaardigd vertrouwen schept dat de bevoegde autoriteit niets zal doen om tot voldoening van het confiscatiebevel te komen. Daarnaast is de noodzaak en evenredigheid van het bevel door de uitvaardigende autoriteit vastgesteld, en is het beginsel van wederzijdse erkenning van toepassing.

De rechtbank verwierp ook het subsidiaire verweer dat erkenning zou leiden tot willekeur en dat mededaders niet zijn aangeschreven. De rechtbank mag niet toetsen aan het in het buitenland gevoerde rechtsgeding of de beslissingen aldaar. De officier van justitie heeft in redelijkheid tot erkenning kunnen besluiten.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel.

Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van het Belgisch confiscatiebevel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 25-031661
cjib-zaaknummer : 7072542300000491 (nieuw nummer 1072542300000583)
beslissing van de meervoudige raadkamer van 29 april 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] .

Procesverloop

Op 9 december 2025 heeft mr. S.G.H. van de Kamp, advocaat te Arnhem, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 3 september 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 20 september 2019 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, kamer TC3, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring). In het confiscatiecertificaat was aangegeven dat het zou gaan om het innen van een bedrag van
181.391,46, terwijl uit het confiscatiebevel bleek dat het om een bedrag van 227.697,50 zou gaan. Hierover zijn nadere inlichtingen gevraagd aan de Belgische autoriteit. Middels een hersteld confiscatiecertificaat is komen vast te staan dat de tenuitvoerlegging aan Nederland van een bedrag van 222.697,50 is verzocht. Dit betreft het bedrag van
227.697,50 minus de borgsom van 5.000,--. Veroordeelde is hiervan op de hoogte gesteld.
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 april 2026. Hierbij waren aanwezig veroordeelde, zijn raadsvrouw en de officier van justitie, mr. A.J. Kemkers.

Motivering

De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.
Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep en het beroep is tijdig en juist ingesteld.
De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van Pro de WWETGC.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van Pro de WWETGC het volgende geldt:
  • de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
  • de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
  • de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
Standpunt veroordeelde
Door de raadsvrouw is primair aangevoerd dat de erkenning van het confiscatiebevel door de officier van justitie geweigerd had moeten worden op grond van de weigeringsgrond van artikel 19 lid 1 sub h Verordening Pro 2018/1805, omdat tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel zou leiden tot een schending van een redelijke termijn. De erkenning kan worden geweigerd indien de tenuitvoerlegging hiervan in
bijzondere omstandigheden zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest van de EU (hierna: Handvest) vervat grondrecht. Veroordeelde meent dat hiervan sprake is en de erkenning en de tenuitvoerlegging van onderhavig confiscatiebevel leidt tot een schending van artikel 47 van Pro het Handvest en artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het onderhavige confiscatiebevel dateert uit 2019 en veroordeelde heeft tot het bericht van de erkenning door de officier van justitie op 6 december 2025 nooit eerder bericht gekregen over de betaling c.q. inning van het betreffende bedrag door de Belgische autoriteiten. Veroordeelde had ten tijde van de strafzaak in België een raadsman en heeft ook via hem niets vernomen ten aanzien van de betaling of inning van het bedrag. Gelet op de tijdsduur is bij veroordeelde een gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat de beslissing niet aan Nederland zou worden overgedragen.
Door erkenning van het confiscatiebevel na het verstrijken van dusdanige tijdsduur is gehandeld in strijd met de goede proces- en rechtsorde en het recht op een behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn is geschonden.
Subsidiair is door de raadsvrouw aangevoerd dat de erkenning van het confiscatiebevel door de officier van justitie geweigerd had moeten worden, omdat is gehandeld in strijd met de beginselen van noodzakelijkheid, zoals vastgelegd in artikel 1 lid 3 van Pro de Verordening 2018/1805 en het verbod op willekeur. De noodzaak voor het erkennen van het confiscatiebevel staat na het verstrijken van deze dusdanige termijn onvoldoende vast en is onvoldoende duidelijk gemaakt. Daarnaast meent veroordeelde dat sprake is van willekeur door het confiscatiebevel op dit moment te erkennen, terwijl er een ruime periode geen noodzaak voor werd gezien bij de Belgische autoriteiten en veroordeelde heeft vernomen dat de mededaders niet zijn aangeschreven en nog niets hebben gehoord over de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel.
Standpunt officier van justitie
Door de officier van justitie is gemotiveerd aangevoerd waarom geen sprake is van een weigeringsgrond en dat de verweren moeten worden verworpen.
De beslissing van de rechtbank in eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout is op 21 oktober 2019 onherroepelijk geworden, waarmee de ontneming wederrechtelijk voordeel in rechte is vastgesteld door de Belgische rechter. In de onderhavige zaak is geen sprake van een vervolging van veroordeelde, maar van de tenuitvoerlegging van een tegen hem gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden confiscatiebevel. Uit het recht volgt niet dat overschrijding van een bepaald tijdverloop tussen het onherroepelijk worden van het confiscatiebevel en de tenuitvoerlegging daarvan, in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde, afgezien van de bij de wet geregelde (executie)verjaring waarvan nog geen sprake is. Daarom wekt een dergelijk tijdsverloop niet het gerechtvaardigd vertrouwen dat de beslissing niet aan Nederland zou worden overgedragen.
Het verzoek van België ziet op de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke Belgische beslissing. Naar Belgisch recht is er geen sprake van executieverjaring. Noch is er sprake van dat naar Nederlands recht het recht tot tenuitvoerlegging van de confiscatiebeslissing wegens de feiten handel in verdovende middelen al zou zijn verjaard. Het primaire verweer dient te worden verworpen.
Ten aanzien van het subsidiaire verweer geldt dat in de preambule onder 21 van de Verordening 2018/1805 het volgende staat vermeld: "De uitvaardigende autoriteit moet in elk afzonderlijk geval met de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van dergelijke bevelen worden belast, aangezien de erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezings- en confiscatiebevelen niet op andere dan de in deze verordening genoemde gronden mogen worden geweigerd". Hier wordt benadrukt dat de uitvaardigende autoriteit zelf bepaalt of er sprake is van noodzakelijkheid en evenredigheid. Preambule onder 12 Verordening 2018/1805 stelt verder dat de uitvoerende lidstaat zonder verdere formaliteiten het verzoek dient te erkennen en ten uitvoer te leggen.
Bovendien geldt dat in artikel 19 Verordening Pro (EU) 2018/1805 een limitatieve opsomming van de weigeringsgronden is opgenomen; het schenden van het beginsel van noodzakelijkheid of willekeur is niet een van deze weigeringsgronden. Het beginsel van wederzijdse erkenning en de strikte uitleg van de gronden tot weigering brengt met zich mee dat de officier van justitie derhalve in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot erkenning van de door de Belgische rechter aan veroordeelde opgelegde
confiscatiebevel.
Oordeel rechtbank
De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een vervolging van veroordeelde, maar van de tenuitvoerlegging van een tegen veroordeelde gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden confiscatiebevel.
Uit het recht volgt niet dat overschrijding van een bepaald tijdverloop tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan -binnen de wettelijke executietermijn- in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde. Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat de verjaringstermijn op 21 augustus 2034 verstrijkt.
Voorts geldt dat uit het recht niet voortvloeit dat uit het enkele verstrijken van tijd een gerechtvaardigd vertrouwen voortvloeit dat de bevoegde autoriteit ook in de toekomst niets zal doen om tot voldoening van het confiscatiebevel te komen. Bovendien blijkt uit de aanvullende reactie van de officier van justitie dat door de Belgische autoriteit op 9 mei 2022, 31 april 2024 en 11 juni 2024 betaalberichten naar veroordeelde zijn verzonden.
De rechtbank mag bij haar beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. De noodzaak van tenuitvoerlegging of de omstandigheid dat de mededaders van veroordeelde mogelijk niets of nog niets van de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel hebben vernomen zijn daarmee factoren die niet door de rechtbank getoetst kunnen worden.
De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren en is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen. De rechtbank acht ambtshalve geen weigeringsgronden aanwezig.
De rechtbank zal het ingestelde beroep daarom ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 29 april 2026 door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr.
G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier.