de rechtbank moet toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen.
Standpunt veroordeelde
Veroordeelde stelt het niet eens te zijn met de aan hem opgelegde geldboete, omdat hij hiervan niet eerder op de hoogte is gesteld door de Duitse autoriteiten. Zonder bewijs van de boeteaanmaning acht hij de geldboete ongegrond. Ook zou deze verjaard zijn, omdat hij na zijn eerste beroep niets meer heeft vernomen. Tevens stelt veroordeelde de rol van het CJIB bij de inning van deze geldboete niet te begrijpen en acht hij het dwangbevel daarom onrechtmatig.
Daarnaast heeft veroordeelde verzocht om kwijtschelding in verband met betalingsonmacht. Hij stelt dat hij nauwelijks kan rondkomen en geen enkele betalingscapaciteit heeft.
Standpunt Minister van Veiligheid en Justitie
Door het CJIB is namens de Minister van Veiligheid en Justitie aangevoerd dat het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd en dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard moet worden.
Het verzet kan nimmer gericht zijn tegen het vonnis of arrest waarbij de geldboete werd opgelegd. Bovendien betreft het een Duitse onherroepelijke beslissing waartegen in Nederland niet nogmaals beroep ingesteld kan worden. In dit stadium van de rechtsgang kan een bezwaar als het onderhavige daarom niet meer aan de orde worden gesteld. Op verzoek van het Bundesamt für Justiz te Bonn is verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde geldboete vermeerderd met de kosten van de procedure. De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de beslissing, waarbij de geldboete is opgelegd, erkend. Tegen deze beslissing tot erkenning staat geen rechtsmiddel open.
Vervolgens zijn vanaf 9 april 2025 door het CJIB meerdere malen aanschrijvingen verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling. Deze zijn naar het BRP-adres van veroordeelde verzonden en niet onbestelbaar retour gekomen. In de aanschrijvingen is veroordeelde gewezen op verhogingen en het mogelijk inschakelen van een deurwaarder in het geval betaling uitblijft. Uit de correspondentie blijkt dat veroordeelde de geldboete betwist, ook nadat hem de onderliggende stukken hieromtrent waren toegezonden. Er is geen verzoek tot een betalingsregeling ingediend. Daarom is uiteindelijk besloten om een dwangbevel uit te vaardigen.
Ter zitting heeft de medewerker van het CJIB aangegeven dat naar aanleiding van het verweer van veroordeelde, dat hij beroep heeft ingesteld tegen de beslissing bij de Duitse autoriteiten maar niets meer heeft vernomen, nadere informatie is opgevraagd bij de Duitse autoriteiten. Uit deze informatie blijkt dat veroordeelde wel hoger beroep heeft ingesteld, maar dat dit beroep te laat is ingesteld en dat hij daarom niet-ontvankelijk is verklaard.
Oordeel rechtbank
Uit de stukken blijkt dat door de Kreis-Viersen Der Landrat in Bondsrepubliek Duitsland, op 3 mei 2024 aan veroordeelde een geldboete van 100,--, vermeerderd met de kosten van de procedure van 28,50, is opgelegd inzake een overtreding gepleegd op 7 april 2024 in Nettetal-Breyell. De beslissing is onherroepelijk geworden op 18 mei 2024. De Duitse autoriteiten hebben Nederland verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van deze beslissing.
De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de betreffende beslissing erkend en de tenuitvoerlegging overgenomen. De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de officier van justitie een weigeringsgrond had moeten toepassen, maar daarvan is niet gebleken.
Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat de geldboete op 18 mei 2027 verjaart en de kosten op 1 januari 2030.
Uit de stukken blijkt ook dat het CJIB vanaf 9 april 2025 meerdere malen aanschrijvingen heeft verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling en dat veroordeelde hierop ook heeft gereageerd, maar dat hij niet wil betalen omdat hij de tenuitvoerlegging door het CJIB onrechtmatig acht.
De rechtbank stelt vast dat de geldboete en de kosten nog niet zijn verjaard, zoals door veroordeelde is aangevoerd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de tenuitvoerlegging door Nederland is overgenomen en dat het CJIB namens de Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de tenuitvoerlegging van de beslissing.
De rechtbank heeft hiervoor bij de uitgangspunten van de beoordeling van een bezwaarschrift overwogen dat de rechtbank bij haar beoordeling niet mag treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. De bezwaren die veroordeelde naar voren heeft gebracht met betrekking tot de Duitse procedure of de in Duitsland gegeven beslissing, kunnen daarmee niet leiden tot een gegrondverklaring van het bezwaarschrift en kunnen daarom onbesproken blijven. Het recht op informatie waarop veroordeelde een beroep doet, maakt dit -wat daar ook van
zij- niet anders. De rechtbank merkt ten overvloede op dat uit het dossier blijkt dat de informatie over de procedure in Duitsland en de overname van de tenuitvoerlegging door Nederland door het CJIB aan veroordeelde is verstrekt.
De rechtbank moet toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen. Zoals hiervoor weergegeven heeft het CJIB vanaf 9 april 2025 meerdere malen aanschrijvingen verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling en veroordeelde heeft hierop ook gereageerd en daardoor staat vast dat hij deze heeft ontvangen. Veroordeelde heeft tot dusver niets betaald.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CJIB op zorgvuldige wijze heeft getracht het verschuldigde bedrag te innen door het zenden van diverse stukken naar veroordeelde. De Minister heeft, toen enige betaling uitbleef, in redelijkheid de beslissing kunnen nemen tot het uitvaardigen van het dwangbevel. Dat aan veroordeelde tevens door het CJIB administratiekosten en aanmaningskosten en door de deurwaarder de kosten van de invorderingsprocedure en het dwangbevel in rekening zijn gebracht, doet hier niet aan af. Een en ander is inherent aan het niet-betalen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie.
De rechtbank overweegt voorts dat in deze procedure geen ruimte is om de opgelegde geldelijke sanctie en de verhogingen kwijt te schelden.
Het door veroordeelde ingediende bezwaarschrift moet dan ook ongegrond worden verklaard.