Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1467

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
LEE 26/1017
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel in kwetsbare wijk

De burgemeester van Leeuwarden heeft besloten een woning gedurende zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van handelshoeveelheden hennep, methamfetamine, MDMA en cocaïne. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening tegen deze sluiting.

De voorzieningenrechter beoordeelde of de burgemeester bevoegd was, of de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig was. De burgemeester was bevoegd vanwege de aangetroffen grote hoeveelheden drugs die bestemd waren voor handel. De sluitingstermijn van zes maanden was in overeenstemming met het gemeentelijke beleid en de beleidsregels.

De rechter oordeelde dat ondanks het tijdsverloop van ruim 2,5 maand sinds de vondst, de sluiting nog steeds geschikt en noodzakelijk was. De woning ligt in een kwetsbare wijk met meerdere eerdere sluitingen. Verzoeker kon worden aangesproken op de situatie in zijn woning, ook al stelde hij geen wetenschap te hebben gehad van de drugs.

De evenwichtigheid van de maatregel werd bevestigd, waarbij persoonlijke omstandigheden van verzoeker onvoldoende waren om de sluiting te voorkomen. De woning is een huurwoning en sluiting kan leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst, maar dit weegt niet zwaarder dan het algemeen belang bij handhaving van de openbare orde.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en bepaalde dat de sluiting ingaat op 15 april 2026 voor de duur van zes maanden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de sluiting gaat in op 15 april 2026 voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1017
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoeker

(gemachtigde: S.N. de Jager ),
en

de burgemeester van de gemeente Leeuwarden, de burgemeester

(gemachtigden: mr. A. Brouwer en mr. M.R.A. Schellingenhout).
Als
derde-partijneemt aan de zaak deel: [bedrijf] (verhuurder)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening betreft de sluiting van een woning aan [adres] (de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Totstandkoming van het besluit en procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 maart 2026 heeft de burgemeester aangekondigd de woning gedurende 6 maanden te sluiten en gesloten te houden, ingaande 31 maart 2026 om 13:30 uur
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Bij e-mailbericht van 25 maart 2026 heeft de burgemeester laten weten dat hij zal wachten met de sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter heeft beslist op het verzoek om voorlopige voorziening.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (door middel van telehoren), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Niet in geschil is dat verzoeker, gelet op de aard van de zaak, een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bij een beoordeling van een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet geldt op basis van de rechtspraak een beoordelings- en toetsingskader. Allereerst moet worden vastgesteld of de burgemeester bevoegd is om tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan. Vervolgens moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet in dit kader worden beoordeeld of sluiting van een pand geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse en het herstel van de openbare orde. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich er ten slotte van te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is, ook als de sluitingsduur zoals in dit geval in overeenstemming is met de duur die volgt uit de van toepassing zijnde beleidsregel. [1]
Was de burgermeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is om tot woningsluiting over te gaan. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het aantreffen van een handelshoeveelheid hennep (opgenomen in lijst II van de Opiumwet) en van handelshoeveelheden methamfetamine, MDMA en cocaïne (opgenomen in lijst I van de Opiumwet). Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs de aangetroffen hoeveelheid in beginsel (ook) bestemd wordt voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Indien het tegendeel daarvan niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor de woning een last onder bestuursdwang op te leggen. In dit geval is 860 gram gedroogde henneptoppen, 7,29 gram methamfetamine, 1,40 gram MDMA en 27,43 gram cocaïne in de woning van verzoeker aangetroffen. De burgemeester heeft op grond van de omvang van de aangetroffen hoeveelheid drugs mogen aannemen dat de drugs ook bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met de “Beleidsregels Opiumwet 13b”. Volgens hoofdstuk 5 wordt zowel voor woningen als lokalen bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden. Hierbij is aangegeven dat op dit uitgangspunt een uitzondering wordt gemaakt bij het aantreffen van (alleen) een handelshoeveelheid softdrugs of hennep. In dat geval wordt in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van 3 maanden.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
7. Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 [2] dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Is de sluiting van de woning een geschikt middel om de beoogde doelen te bereiken en was de sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Over de geschiktheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de sluitingsdatum ertoe kan leiden dat de sluiting redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen van de sluiting. Door tijdsverloop kan het zijn dat de onrechtmatige situatie al is hersteld. Ook kan het zijn dat beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. De burgemeester moet beoordelen of de sluiting gelet op het tijdsverloop en op de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.
8.1.
Over de noodzakelijkheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel, als een last onder dwangsom of een waarschuwing, had kunnen en moeten volstaan. De burgemeester betrekt de effecten op de omgeving van de overtredingen van de Opiumwet. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens) onveiligheid in de omgeving, of er in de nabije omgeving al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Ten slotte dient de burgemeester, net als bij de geschiktheid, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid het tijdsverloop te betrekken.
9. Ten aanzien van de geschiktheid heeft de burgemeester in het bestreden besluit overwogen dat het algemene belang dat gediend is met sluiting van de woning bijzonder zwaar weegt en dat een andere, lichtere maatregel (zoals een waarschuwing) in dit geval niet geschikt is. De burgemeester overweegt allereerst dat er geen sprake is van overlast of geconstateerde aanloop. Maar desondanks zijn er toch omstandigheden die maken dat de sluiting wel noodzakelijk is volgens de burgemeester. Hiertoe wijst hij allereerst op de grote hoeveelheid hard- en softdrugs die is aangetroffen in de woning. Verder zijn in de woning een aantal voorwerpen aangetroffen die wijzen op drugshandel, zoals gripzakjes en weegschalen. Dit in combinatie met het gegeven dat er in 2018 ook al een woning van verzoeker is gesloten op grond van de Opiumwet en verzoeker dus wist welke gevolgen hieraan verbonden zijn maakt, aldus de burgemeester, dat de drugs in de woning aanwezig was ten behoeve van de handel en ook dat de woning een rol speelt rol binnen de keten van de drugshandel. Ten slotte heeft de burgemeester hieraan toegevoegd dat de woning is gelegen in een zeer kwetsbare woonwijk.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel mogen achten. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
10.1.
In het geval van verzoeker is er inmiddels sprake van een tijdsverloop van ruim 2,5 maand sinds het aantreffen van de drugs bij de huiszoeking. De voorzieningenrechter overweegt dat dit tijdsverloop nog niet aan de geschiktheid en noodzakelijkheid in de weg hoeft te staan.
10.2.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de in de bestuurlijke rapportages van 6 januari 2026 en 13 maart 2026 vermelde feiten en omstandigheden. Gelet op de grote hoeveelheid in de woning aangetroffen drugs in samenhang bezien met de aangetroffen voorwerpen die behulpzaam zijn bij de handel, zoals gripzakjes en weegschalen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van de drugshandel.
10.3.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk ligt. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester – onbetwist – heeft aangegeven dat in de wijk waarin de woning is gelegen vanaf 2020 in elk geval 13 woningen zijn gesloten waarbij de meest recente sluiting in 2026 heeft plaatsgevonden. Dit aantal acht de voorzieningenrechter dusdanig hoog dat gelet hierop sprake is van een kwetsbare wijk.
10.4.
Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester bij zijn beoordeling heeft kunnen betrekken dat in 2018 ook een woning van verzoeker is gesloten op grond van de Opiumwet. Verzoeker was dus op de hoogte van de consequentie van het in een woning verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben van een middel als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet. Voor zover de burgemeester heeft verwezen naar een antecedent in 2023 overweegt de voorzieningenrechter dat uit de bestuurlijke rapportage van 25 maart 2026 blijkt dat deze zaak is geseponeerd. Zodat aan dit antecedent niet de waarde kan worden toegekend die de burgemeester hieraan heeft toegekend.
Was de sluiting van de woning evenwichtig?
11. Over de evenwichtigheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat bij de beoordeling van de evenwichtigheid de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid, dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
11.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
12. Verzoeker betoogt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij geen enkele wetenschap had van de aangetroffen harddrugs in de woning, laat staan dat hij daarbij betrokken was. Ter onderbouwing van dit standpunt geeft verzoeker aan dat hij de woning heeft overgenomen met hierin diverse goederen, dat hij de afgelopen jaren een tumultueuze relatie heeft gehad met de moeder van een van zijn kinderen die veel energie heeft gekost waardoor hij de woning niet kon opruimen, dat de woning lange tijd niet bewoonbaar is geweest en dat hij soms toestemming heeft gegeven aan mensen om spullen op te slaan in zijn woning. Vervolgens betoogt verzoeker dat hij vanwege alle instabiliteit in zijn leven gebonden is aan de woning en dat de woning de enige stabiele factor is in zijn leven. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat een woning noodzakelijk is voor schorsing uit de voorlopige hechtenis en begeleiding door de reclassering. Ten slotte heeft verzoeker gesteld dat het een huurwoning betreft en dat bij sluiting een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst in de rede ligt. Hierbij zal verzoeker waarschijnlijk op de zwarte lijst worden geplaatst waardoor het vinden van een nieuwe woning zeer lastig gaat worden.
12.1.
Met betrekking tot de evenwichtigheid heeft de burgemeester in het bestreden besluit – onder meer en samengevat – overwogen dat van een verminderde verwijtbaarheid geen sprake is. Hiertoe heeft de burgemeester overwogen dat het op de weg van verzoeker en binnen zijn beïnvloedingssfeer ligt om te voorkomen dat drugs in de woning kunnen worden aangetroffen. Ook heeft de burgemeester aangegeven dat verzoeker kon weten wat de gevolgen waren van het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid soft- en harddrugs omdat hij al eerder is geconfronteerd met een woningsluiting. Ten slotte heeft de burgemeester aangegeven dat het inherent aan een maatregel tot sluiting is dat de bewoner de woning moet verlaten. Ook de door verzoeker benoemde persoonlijke omstandigheden maken niet dat de beoordeling van de evenwichtigheid anders zou moeten uitpakken.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker benoemde omstandigheden niet maken dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
13.1.
Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat het inherent is aan een sluiting van een pand, dat het pand enige tijd niet kan worden gebruikt en dat dit voor de betrokkene(n) tot nadeel leidt. Dit levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op die de sluiting onevenredig maakt.
13.2.
Verzoeker heeft onder andere betoogt dat hij geen weet had van de in de woning aanwezige harddrugs. Wat hier ook van zei naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag de burgemeester, ongeacht of verzoeker wist van de drugs, hem als huurder van het pand verantwoordelijk houden voor wat er in zijn pand gebeurt. Dat is mogelijk anders als er volledige afwezigheid van verwijtbaarheid is, maar die situatie is hier niet aan de orde. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker zijn standpunt dat hij van de harddrugs in de woning geen weet had en dat deze drugs van eerdere bewoners dan wel van mensen die goederen in zijn woning opslaan waren niet heeft onderbouwd.
13.3.
Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat hij de woning nodig heeft om zijn kinderen te kunnen blijven zien. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt dit betoog niet. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting is komen vast te staan dat de kinderen hun hoofdverblijf niet bij verzoeker hebben zodat de belangen van de kinderen qua onderdak zijn veilig gesteld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker niet heeft onderbouwd waarom hij de kinderen niet op een andere locatie kan blijven zien. Dit oordeel geldt ook voor zover verzoeker heeft gesteld dat hij geen begeleiding van de reclassering kan krijgen indien hij de woning kwijtraakt. Ook ten aanzien van dit standpunt heeft verzoeker namelijk onvoldoende onderbouwd waarom uitsluitend begeleiding door de reclassering kan plaatsvinden als verzoeker de beschikking blijft houden over deze woning.
13.4.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat sluiting van de woning niet meer evenwichtig is nu hij al drie maanden in detentie zit en de woning hierdoor al die tijd leeg staat. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat de sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet een pandgebonden maatregel betreft en dat de woning tot op heden nog niet is gesloten.
13.5.
Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat hij bij sluiting van de woning op een zwarte lijst zal worden geplaatst waardoor hij geen andere woning kan vinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, indien verzoeker op een zwarte lijst zou komen te staan – hetgeen verzoeker niet heeft onderbouwd met een verklaring van de verhuurder – dit niet betekent dat verzoeker geen vervangende woonruimte kan vinden en dakloos wordt. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat al is geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat verzoeker hierin niet in is geslaagd. Ook heeft verzoeker niet aangetoond dat hij – gelet op zijn financiën – niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden. Ten slotte betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat de burgemeester erop heeft gewezen dat verzoeker zich voor hulp kan wenden tot het Sociaal Wijkteam Heechterp-Schieringen en dat – bij dreigende dakloosheid – verzoeker ook contact kan opnemen met Wender voor nachtopvang, algemene opvang of crisisopvang.
14. Gelet op al het bovenstaande acht de voorzieningenrechter de sluiting van de woning evenwichtig.

Conclusie en gevolgen

15. Gelet op al het bovenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester tot sluiting van de woning over heeft mogen gaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
15.1.
De burgemeester heeft gewacht met het tenuitvoerleggen van de opgelegde maatregel tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. Om verzoeker de kans te bieden de nodige maatregelen te nemen zal de voorzieningenrechter bepalen dat de sluiting ingaat op woensdag 15 april 2026 en zes maanden daarna eindigt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat de woningsluiting ingaat op 15 april 2026.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie AbRS 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912), AbRS 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) en AbRS 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1911).