Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1451

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
LEE 26/834
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 7.1 bestemmingsplanregelsArt. 5.1, eerste lid, onder a, OmgevingswetArt. 2.27 omgevingsplan gemeente EmmenArt. 22.36 omgevingsplan gemeente Emmen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom detailhandel en bouwwerk

Verzoekers exploiteren een woonwinkel in meubels en woonaccessoires op een perceel te Nieuw-Amsterdam. Het college heeft aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd wegens het exploiteren van detailhandel in strijd met het bestemmingsplan en voor een zonder vergunning gebouwd bouwwerk. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en vroegen om een voorlopige voorziening om de begunstigingstermijn te verlengen.

De voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekers, dat vooral financieel is vanwege mogelijke sluiting en verlies van klanten, af tegen het belang van het college bij handhaving van het bestemmingsplan en het voorkomen van precedentwerking. De rechter oordeelt dat de verkoop aan particulieren vanuit de woonwinkel in strijd is met het bestemmingsplan, omdat detailhandel niet is toegestaan op het perceel met bestemming Bedrijfsdoeleinden milieucategorie 4.

Verder is vastgesteld dat het bouwwerk zonder vergunning is gebouwd en dat verzoekers opdracht hebben gegeven tot aanpassing. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat de last in de bodemprocedure geen stand zal houden. Gezien het voorlopig rechtmatigheidsoordeel weegt het belang van het college zwaarder dan het belang van verzoekers. Er is geen onverwijlde spoed voor een voorlopige voorziening, die daarom wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang van het college bij handhaving zwaarder weegt dan het belang van verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/834
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam], uit Nieuw-Amsterdam, verzoekers

(gemachtigde: H.G. Smit),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen

(gemachtigde: D. Harms).

Samenvatting

1. Verzoekers hebben een woonwinkel in meubels en woonaccessoires op het perceel [adres] te Nieuw-Amsterdam. Het college vindt dat sprake is van detailhandel en dat dit in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd voor het exploiteren van detailhandel. Het college heeft aan verzoeker ook een last onder dwangsom opgelegd voor het bouwen van een bouwwerk op het perceel. Verzoekers zijn het met beide lasten niet eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. Deze uitspraak gaat daarover. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, af. De voorzieningenrechter doet dit aan de hand van de gronden die verzoekers (tot nu toe) hebben aangevoerd.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het belang van het college bij handhaving weegt zwaarder dan het (financiële) belang van verzoekers bij een verlenging van de begunstigingstermijn. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Procesverloop

2. Het college heeft verzoeker met het besluit van 8 april 2025 een last onder dwangsom opgelegd voor het gebruik van het hoofdgebouw op het perceel [adres] te Nieuw-Amsterdam (perceel) voor de exploitatie van detailhandel. Er worden vanuit de woonwinkel meubels en accessoires verkocht en dat is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan Nieuw-Amsterdam – Veenoord, Bedrijventerrein De Tweeling (bestemmingsplan). [1] Verzoeker heeft hiervoor geen omgevingsvergunning en daarom is volgens het college sprake van een overtreding. [2] Het gaat om een dwangsom van € 3.000 per week of deel van een week met een maximum van € 30.000.
2.1.
Het college heeft verzoeker in hetzelfde besluit ook een last onder dwangsom opgelegd voor het bouwen van een bouwwerk op het perceel. Het gebouw voldoet volgens het college niet aan de eisen van vergunningvrije bouwwerken. [3] Verzoeker heeft geen omgevingsvergunning voor het bouwwerk en dus is sprake van een overtreding. [4] Het gaat om een dwangsom van € 1.000 per week of deel van een week met een maximum van
€ 10.000.
2.2.
Op 18 augustus 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 maart 2026.
2.3.
Met het bestreden besluit van 16 februari 2026 op het bezwaar van verzoekers is het college bij de last onder dwangsom gebleven.
2.4.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, namelijk het verlengen van de begunstigingstermijn tot na de uitspraak op het beroep.
2.5.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [naam] met zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn, die in de bezwaarfase is verlengd tot 1 maart 2026, al is verstreken. De maximale dwangsommen zijn nog niet verbeurd. De last heeft dus nog werking en de voorzieningenrechter is bevoegd om een eenmaal verstreken begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen. [5] Met het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening zouden verzoekers dus kunnen bewerkstelligen dat de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht wordt verlengd, waardoor verzoekers de woonwinkel kunnen blijven exploiteren zonder (eventueel) dwangsommen te verbeuren en zij ook voor het bouwwerk geen dwangsommen verbeuren.
5. De voorzieningenrechter weegt daarom het belang van verzoekers om de woonwinkel tijdens de bodemprocedure te kunnen blijven exploiteren af tegen het belang van het college bij handhaving. De voorzieningenrechter betrekt daarbij haar voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de last over de woonwinkel. De voorzieningenrechter weegt ook de belangen af als het gaat om de last over het bouwwerk.
Belangen van verzoekers
5.1.
Op de zitting is gebleken dat de belangen van verzoekers vooral financiële belangen zijn. Een langdurige sluiting betekent volgens verzoekers het einde van de woonwinkel, omdat de opgebouwde klantenkring verloren gaat. Daarnaast leidt sluiting tot onherstelbare financiële schade, omdat er geen inkomsten zijn en wel financiële verplichtingen vanwege de nog aanwezige voorraden en de vaste lasten, die mede door de woonwinkel worden gedragen.
Belangen van het college
5.2.
Het belang van het college is gelegen in handhaving van de regels van het bestemmingsplan en het voorkomen van precedentwerking. Het college vindt dat de begunstigingstermijn niet moet worden verlengd of opgeschort, omdat ook in andere situaties binnen deze bedrijfsbestemming geen detailhandel wordt toegestaan.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
5.3.
Het staat vast dat vanuit de woonwinkel verkoop aan particulieren plaatsvindt (of in ieder geval plaatsvond tot 1 maart 2026). Partijen verschillen van mening over de vraag of de verkoop aan particulieren door de woonwinkel wel of niet past binnen het bestemmingsplan. Verzoekers stellen dat de woonwinkel valt onder de definitie van meubelhandel en niet onder de definitie van detailhandel. De woonwinkel is daarom volgens verzoekers op grond van het bestemmingsplan toegestaan en er is geen sprake van een overtreding.
5.3.1.
Het staat vast dat het perceel volgens het bestemmingsplan de bestemming Bedrijfsdoeleinden, milieucategorie 4 (B4) heeft. [6] Uit artikel 7.1, aanhef en onder o, van de bestemmingsplanregels volgt dat ter plaatse verschillende bedrijven zijn toegestaan, maar géén detailhandel. [7] Het staat vast dat de woonwinkel niet valt onder ‘bestaande detailhandel’. De voorzieningenrechter overweegt dat bestemmingsplanregels vanwege rechtszekerheid letterlijk moeten worden uitgelegd. [8] Omdat in artikel 7.1 van de bestemmingsplanregels expliciet staat dat detailhandel niet is toegestaan, is de verkoop van meubels en accessoires aan particulieren vanuit de woonwinkel naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met het bestemmingsplan. Uit het feit dat op het perceel ter plaatse wél vervaardiging van meubels en overige goederen [9] is toegestaan, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat op het perceel de definitie van meubelhandel van toepassing is en dat daarom de verkoop aan particulieren is toegestaan. Artikel 7.1 van de bestemmingsplanregels bepaalt namelijk niets over meubelhandel. De definitie van meubelhandel, wat daar verder ook van zij, is dus niet bepalend voor het toegestane gebruik. Het voorgaande betekent dat het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd is om te handhaven.
5.3.2.
Verzoekers hebben verder gesteld dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar het zicht op legalisering, maar hebben daarbij aangegeven dat dit verder zal worden onderbouwd in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter ziet in de enkele stelling van verzoekers geen reden om verzoekers hierin in deze voorzieningenprocedure gelijk te geven. In het dossier zit namelijk een planologische toets en een gemotiveerd advies om planologische medewerking aan de woonwinkel te weigeren.
5.3.3.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers in de beroepsgronden en in deze voorzieningenprocedure hebben aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat de last over de exploitatie van detailhandel in de bodemprocedure geen stand kan houden.
5.4.
Ook voor het illegaal bouwwerk ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat de last in de bodemprocedure geen stand kan houden, nu de overtreding niet ter discussie staat en verzoekers opdracht hebben gegeven voor aanpassing van het bouwwerk ter voldoening aan de last.
Belangenafweging
5.5.
In het licht van het voorlopig rechtmatigheidsoordeel weegt het belang van het college bij handhaving en het voorkomen van precedentwerking zwaarder dan het belang van verzoekers bij het verlengen van de begunstigingstermijn. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers niet hebben aangetoond of met concrete gegevens hebben onderbouwd dat het verbod om ter plaatse aan particulieren te mogen verkopen het einde van de woonwinkel zal betekenen. Bovendien blijven de andere activiteiten van de woonwinkel, zoals het maken en repareren van meubels, op het perceel wél mogelijk, net als online verkoop, zolang de verkoop aan particulieren niet vanaf het perceel plaatsvindt. Het college heeft dat ter zitting bevestigd. Het verlies van de klantenkring en de inkomensschade kan daarmee worden beperkt. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verzoekers al in hun zienswijze van 3 maart 2025 hebben aangegeven dat het bouwwerk in overeenstemming gebracht zou worden met de eisen van een vergunningvrij bouwwerk. Verzoekers hebben dus voldoende tijd gehad om aan de last te voldoen.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op de betrokken belangen is er geen onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6.1.
Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het college verwijst naar artikel 7.1, aanhef en onder o, van de bestemmingsplanregels.
2.Het college verwijst naar artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow).
3.Het college verwijst naar artikel 2.27 van het omgevingsplan gemeente Emmen in samenhang met artikel 7.1, aanhef en onder c, van de bestemmingsplanregels en naar artikel 22.36 van het omgevingsplan gemeente Emmen.
4.Het college verwijst naar artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3803.
6.Het bestemmingsplan is onderdeel van het geldende omgevingsplan gemeente Emmen, zie artikel 22.1 van de Omgevingswet.
7.Bedrijfsdoeleinden in de milieucategorieën 1, 2, 3.1 en 3.2, 4.1 en 4.2, 5.1 en 5.2 zoals bedoeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1114.
9.Vervaardiging van meubels en overige goederen is opgenomen in de Staat van bedrijven, categorie 36.