Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1406

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
26/940
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1:3 AwbArt. 2.3 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd in geschil over contractering zorgaanbieder door gemeente

Een zorgaanbieder verzocht de gemeente Emmen om een contract af te sluiten voor het leveren van jeugdhulp. De gemeente reageerde met een brief waarin zij aangaf dat de zorgaanbieder niet voldeed aan de gestelde eisen en daarom geen cliënten bij haar zouden worden geplaatst. De zorgaanbieder kwalificeerde deze brief als een besluit en stelde dat het college onrechtmatig weigerde een contract te sluiten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van de gemeente geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het verzoek van de zorgaanbieder geen aanvraag is, omdat alleen jeugdigen of hun ouders een aanvraag kunnen doen voor jeugdhulp. De contractering van een zorgaanbieder is een civiele aangelegenheid en geen bestuursrechtelijke besluitvorming.

Omdat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om over deze kwestie te oordelen, verklaarde hij zich onbevoegd. Er werd geen inhoudelijke uitspraak gedaan over de contractering of de inhoudelijke gronden van het geschil. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

De uitspraak benadrukt het onderscheid tussen bestuursrechtelijke besluiten en civielrechtelijke contractuele verhoudingen bij de inkoop van jeugdhulp door gemeenten. De zorgaanbieder kan haar rechten alleen civielrechtelijk afdwingen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het verzoek tot contractering van de zorgaanbieder door de gemeente.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/940

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], [verzoekster]

(gemachtigde: J.M.L.G. van Goethem),
en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen, het college

(gemachtigde: mr. A.F. Teune).

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Met de brief van 5 februari 2026 heeft het college gereageerd op de brief van 20 januari 2026 van [verzoekster].
2.1.
Op 18 maart 2026 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. [verzoekster] is, naar eigen zeggen, een zorgaanbieder van een kleinschalige open woongroep voor jongeren van 12-24 jaar met 24/7 begeleiding en crisisopname in Emmen.
3.1.
Op 20 januari 2026 heeft [verzoekster] het college verzocht ‘
onverwijld het beleid en de uitvoering aan te passen aan de Jeugdwet, IVRK en eigen regelgeving. Specifiek wordt verzocht: per direct samenwerking met [[verzoekster]] bij capaciteitstekort gecontracteerden indien [[verzoekster]] aan de eisen voldoet […]; maatwerkovereenkomsten in acute gevallen conform beleidsregels; stopzetting irrelevante gronden bij beoordeling; en structurele primering kinderbelang’.
3.2.
Met de brief van 5 februari 2026 heeft het college hierop gereageerd en daarbij verwezen naar het gesprek op 4 december 2025 tussen [verzoekster] en accountmanagers en een kwaliteitsadviseur van de gemeente Emmen. De beoogde inzet van zorg, personele inzet en de fysieke locatie van [verzoekster] voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen. Daarom zullen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet geen cliënten bij [verzoekster] worden geplaatst. Het college heeft [verzoekster] gewezen op de wijze waarop de regionale inkoop van aanbieders geschiedt, de eisen en voorwaarden voor toetreding en de instapmomenten.
Standpunten partijen
4. [verzoekster] wil bereiken dat het college haar contracteert of een cliëntgebonden overeenkomst (cgo) met haar sluit. De brief van 5 februari 2026 merkt zij aan als weigering op haar verzoek daartoe. Die weigering wijzigt haar juridische positie door haar uit te sluiten als in te zetten jeugdhulpaanbieder. Hierdoor is sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat de brief als besluit kwalificeert. Voor zover de brief van 5 februari 2026 niet als besluit kwalificeert, betoogt [verzoekster] dat sprake is van een schriftelijke weigering een besluit te nemen, zoals in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter onder meer het volgende verzocht:

2. Het besluit […] te vernietigen.3. Te bepalen dat [het college] binnen een door de rechtbank te stellen termijn een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak, waarbij:- geen categorische uitsluiting van [[verzoekster]] als aanbieder plaatsvindt op louter beleidsmatige of contractuele gronden;- een individuele, op de betrokken jeugdigen toegesneden beoordeling wordt verricht, met volledige weging van het belang van het kind als eerste overweging;- de feitelijke kwalificaties en certificeringen van [[verzoekster]] […] kenbaar in de motivering worden betrokken.4. Voor zover noodzakelijk, te bepalen dat [het college] gehouden is in de casus [van de jeugdige] voortvarend mee te werken aan het sluiten van een cliëntgebonden maatwerkovereenkomst met [[verzoekster]] of anderszins de door de gecertificeerde instelling noodzakelijk geachte jeugdhulp bij [[verzoekster]] te contracteren […].’
5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er via de daartoe te volgen procedures gecontracteerde partijen zijn die jeugdhulp kunnen verlenen. Het staat [verzoekster] vrij aan deze procedures mee te doen. Daarnaast kan een belanghebbende met een persoonsgebonden budget (pgb) jeugdhulp inkopen die het college niet gecontracteerd heeft. Bij uitzondering kunnen in een specifiek geval afspraken vastgelegd worden in een cgo. Het al dan niet afsluiten van een cgo is een civiele kwestie en geen besluit in de zin van de Awb. Het college is niet wettelijk verplicht om een cgo aan te gaan.
Is sprake van een aanvraag en een besluit?
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 5 februari 2026 geen besluit is. Daarnaast is de brief van [verzoekster] van 20 januari 2026 geen aanvraag.
6.1.
De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wettelijke regels en beleidsregels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoekster] en haar gemachtigde niet de in het verzoekschrift genoemde jeugdigen of hun ouders vertegenwoordigen.
6.3.
Met de Jeugdwet is een jeugdhulpplicht voor gemeenten geïntroduceerd. Het college treft daar waar een jeugdige of zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, een voorziening op het gebied van jeugdhulp. De voorziening kan zowel een algemene als een individuele voorziening zijn. Een individuele voorziening vereist een beslissing op basis van een beoordeling door het college van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager. Het college neemt een besluit met de mogelijkheid van bezwaar en beroep. [1] Gelezen in samenhang met artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet volgt hieruit dat een jeugdige of zijn ouders een aanvraag om een voorziening kan doen. [verzoekster] kan zo’n voorziening dus niet aanvragen. Nu geen sprake is van een aanvraag door een jeugdige of zijn ouders, is de brief van 5 februari 2026 niet aan te merken als een schriftelijke weigering een besluit te nemen.
6.4.
Het college kan jeugdhulp als zorg in natura (ZIN) of als pgb verstrekken. ZIN wordt verleend door een jeugdhulpaanbieder die de gemeente gecontracteerd heeft. [verzoekster] wenst een contract af te sluiten met de gemeente als jeugdhulpaanbieder, zodat ZIN mogelijk is, eventueel door een cgo. In de brief van 5 februari 2026 heeft het college verwezen naar eisen en voorwaarden om een contract af te sluiten. Als het college weigert een contract met [verzoekster] af te sluiten na de daartoe te volgen procedure, dan kan [verzoekster] daartegen bij de burgerlijke rechter opkomen, niet bij de bestuursrechter. De brief van 5 februari 2026 heeft daarop betrekking en is dus geen besluit.

Conclusie en gevolgen

7. Aangezien de bestuursrechter niet bevoegd is in een eventuele bodemprocedure, is de voorzieningenrechter ook niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich niet inhoudelijk over deze kwestie kan uitlaten.
7.1.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
[…]
Onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
Artikel 6:2
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, […]
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Artikel 8:83
[…]
3. Indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
Jeugdwet
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […]
jeugdhulpaanbieder:
1°. natuurlijke persoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp verleent of doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college; […]
Artikel 2.3
1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
gezond en veilig op te groeien;
te groeien naar zelfstandigheid, en
voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
[…]
Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2021
5.3.2 Cliëntgebonden overeenkomst
De gemeente kan de benodigde hulp-op-maat ook leveren op grond van een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst. In feite is er dan sprake van ZIN. Van een cliëntgebonden overeenkomst is sprake wanneer de gemeente een PGB niet verstrekt en de benodigde hulp-op-maat niet door een gecontracteerde partij kan worden verzorgd. […]

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 8, 18, 66 en 138-139.