ECLI:NL:RBNNE:2026:132

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/4028
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.S. Schür
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 5:32a AwbArt. 5:32b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen last onder dwangsom voor onderhoud rijksmonumentale boerderij afgewezen

Eiser is eigenaar van de monumentale boerderij Vijverzathe in Jelsum en kreeg van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden een last onder dwangsom opgelegd wegens ernstig achterstallig onderhoud, in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo.

Het college stelde een begunstigingstermijn en dwangsom vast om de gebreken te herstellen. Eiser maakte bezwaar tegen de termijn en de hoogte van de dwangsom en stelde beroep in bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de begunstigingstermijn, die meerdere malen is verlengd tot 20 juli 2026 voor het rieten dak en andere onderdelen, niet te kort is, mede gelet op de lange periode dat het onderhoud al achterwege bleef en de begeleiding door het college.

De rechtbank vindt ook dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot het geschonden belang en de herstelkosten, waarbij 50% van de kosten in mindering is gebracht. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom de termijn te kort is en waarom de dwangsom onevenredig hoog zou zijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de last onder dwangsom blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom voor onderhoud van de rijksmonumentale boerderij wordt ongegrond verklaard en de handhaving blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4028

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Stiens, eiser

en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, hierna te noemen het college
(gemachtigde: mr. P. Doldersum en T. Paulusma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser dat zich richt tegen het opleggen van een last onder dwangsom. In de ogen van het college voert eiser niet de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden uit aan de boerderij Vijverzathe (rijksmonument) in Jelsum. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit waarin de last is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser is sinds 2016 eigenaar van de boerderij Vijverzathe in Jelsum. De boerderij, de tuin en de toegangshekken zijn aangewezen als rijksmonument.
2.1.
In de periode december 2022 tot april 2023 heeft het college meldingen ontvangen. Daarin zijn zorgen geuit over de staat van onderhoud van boerderij Vijverzathe in Jelsum. Dit heeft geleid tot gesprekken tussen het college en eiser.
2.2.
Bij brief van 7 december 2023 heeft het college aangekondigd dat het tot handhaving over zal gaan. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen.
2.3.
In het besluit van 28 december 2023 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Daarin staat dat eiser voor 1 juli 2024 alle geconstateerde gebreken moet herstellen. Het college heeft 26 gebreken geformuleerd. Aan elk gebrek is een dwangsombedrag gekoppeld. Herstelt eiser die gebreken niet, dan verbeurt hij per gebrek dat dwangsombedrag.
2.4.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. Het college is in de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) bij de opgelegde last onder dwangsom gebleven. De termijn waarbinnen eiser hieraan moet voldoen (de zogenoemde begunstigingstermijn) is in het bestreden besluit verlengd naar 1 juli 2025.
2.5.
Eiser heeft op 9 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Bij besluiten van 30 juni 2025, 7 juli 2025, 21 oktober 2025 en 31 oktober 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd. Bij besluit van 21 november 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 20 juli 2026 voor het vervangen van het rieten dak en de herstelwerkzaamheden aan de goten en boeilijsten. De begunstigingstermijn voor de andere gebreken is niet verder verlengd en verliep op 21 november 2025.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn zoon, en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat het college voor 1 januari 2024 tot handhaving is overgegaan blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Waar gaat het om?
4. Er is sprake van ernstig achterstallig onderhoud aan boerderij Vijverzathe, het rijksmonument waar eiser eigenaar van is. Het is verboden om een rijksmonument te gebruiken op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. [1] Eiser betwist niet dat sprake is van deze situatie. Het college is tot handhaving overgegaan.
Eiser vindt dat niet van hem verlangd kan worden dat hij de boerderij tegen hoge kosten laat restaureren, als door het college niet mogelijk wordt gemaakt dat hij hierin activiteiten kan ontplooien waarmee hij het onderhoud kan bekostigen. Doordat de boerderij vlakbij de vliegbasis Leeuwarden ligt, zijn de mogelijkheden beperkt op grond van de planvoorschriften. Er zijn al verschillende initiatieven van eiser door het college afgeschoten.
5. Het is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, zodat het college in beginsel de plicht heeft om tot handhaving over te gaan. Het feit dat eiser (door de op deze locatie geldende planvoorschriften) beperkt wordt in zijn plannen met de boerderij, doet daar niet aan af. Partijen verschillen van inzicht of de begunstigingstermijn lang genoeg is om de gebreken te kunnen herstellen. Ook is eiser het niet eens met de hoogte van de opgelegde last onder dwangsom.
De begunstigingstermijn
6. Eiser betoogt dat de begunstigingtermijn te kort is om de gebreken te kunnen herstellen. Hij wijst erop dat hij door vandalisme in het pand hoge kosten heeft moeten maken en vertraging heeft opgelopen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de opgelegde begunstigingstermijn voor het herstel van de gebreken niet te kort. Dat wordt hieronder uitgelegd.
6.2.
Uit vaste rechtspraak [2] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat de begunstigingstermijn ervoor bedoeld is om de overtreding op te heffen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser de boerderij al sinds 2016 in eigendom heeft en dat de staat van onderhoud op dat moment al slecht was en sindsdien verder verslechtert. Het college heeft eiser in de periode van mei tot december 2023 geprobeerd te begeleiden om tot herstel over te gaan. Dit heeft niet tot de concrete resultaten geleid die het college wenste. Daarna heeft het college in december 2023 aangekondigd dat zij tot handhaving overging.
6.4.
Eiser heeft tijdens de handhavingsprocedure verschillende keren meer tijd gekregen om tot herstel over te gaan. De begunstigingstermijn is daarom vele keren verlengd. Tijdens de bezwaarprocedure is de termijn verlengd van februari 2024 tot augustus 2024. Verder is de termijn tijdens de beroepsprocedure meerdere keren verder verlengd, uiteindelijk tot 21 november 2025.
6.5.
Eiser heeft het standpunt dat de begunstigingstermijn te kort is om alle gebreken te kunnen herstellen onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Hij heeft niet concreet gemaakt en aangetoond dat het niet mogelijk was om de gebreken te herstellen. De gebreken waren door het college goed gedocumenteerd in een lijst, waarmee eiser punt voor punt aan de slag had kunnen gaan. Dat sprake is van een monumentale boerderij waarbij specifieke monumentale kennis voor reparaties schaars is, maakt dat niet anders. Het is begrijpelijk dat enige vertraging is ontstaan doordat vandalen het pand hebben beschadigd, maar ondanks dat is niet aannemelijk geworden dat het herstel binnen de gestelde (verlengde) termijn onmogelijk was. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de termijn die eiser heeft gekregen om tot herstel over te gaan niet te kort is. Voor het rieten dak, de goten en de boeilijsten heeft eiser nog de tijd tot 20 juli 2026. Het college heeft voor de andere gebreken in redelijkheid tot het weigeren van het verder verlengen van de begunstigingstermijn kunnen komen. Het betoog slaagt niet.
Is de hoogte van de last onevenredig hoog?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de dwangsom onevenredig hoog is.
7.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de last niet onevenredig hoog is.
7.2.
Artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Een bestuursorgaan heeft bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft als doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Daarvoor moet het een prikkel zijn.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de dwangsom is uitgesplist per monumentaal element dat gebreken vertoont, met daaraan gekoppeld een bedrag per overtreding. Dat bedrag hangt samen met de herstelkosten die met het monumentale element gemoeid zijn. Van dat herstelbedrag per overtreding is 50% van de kosten afgetrokken. Dat bedrag per overtreding en deze bedragen bij elkaar opgeteld liggen ten grondslag aan de hoogte van de last. Eiser heeft niet uitgelegd waarom de bedragen onredelijk zijn en niet betwist wat de herstelkosten per maatregel zijn. De rechtbank neemt daarom aan dat de hoogte van de dwangsom en het geschonden belang in redelijke verhouding staan tot het geschonden belang en dat de hoogte van de last dus niet onevenredig hoog is. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:32a
(…)
2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:32b
Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo.
2.ABRvS 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7685, r.o. 4.1.