Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1234

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
26/782
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken bezwaar- of beroepschrift

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland op 24 maart 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoek(st)er heeft het verzoekschrift ingediend zonder het vereiste bezwaar- of beroepschrift en het besluit waarop het geschil betrekking heeft te overleggen. Dit is een vereiste volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De griffier heeft verzoek(st)er bij brief verzocht om binnen een week het verzuim te herstellen, met de waarschuwing dat het verzoek anders niet-ontvankelijk verklaard zou kunnen worden. Verzoek(st)er heeft hier niet op gereageerd. De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting, conform artikel 8:83, derde lid, Awb. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het bezwaar- of beroepschrift en het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/782

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [plaats], verzoek(st)er

en

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoek(st)er. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft (het besluit) overleggen. Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2.1.
Bij het verzoekschrift ontvangen op 5 maart 2026 heeft verzoek(st)er het bezwaar- of beroepschrift en het besluit niet overgelegd. De griffier heeft verzoek(st)er bij brief van 10 maart 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen. Verzoek(st)er is erop gewezen dat het verzoek anders niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
2.2.
Verzoek(st)er heeft hierop niet gereageerd.
2.3.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.