Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1226

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/18/254633 / KG RK 26/220
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na einduitspraak

De verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. M.E. van Rossum, kantonrechter, die de civiele procedure betreffende een verzoek tot ondercuratelestelling behandelde. Het wrakingsverzoek werd ingediend nadat de rechter op 19 maart 2026 een einduitspraak had gedaan in de hoofdzaak.

De verzoeker stelde dat de rechter de schijn van partijdigheid had gewekt door het niet naleven van essentiële procedurele regels, waaronder het niet horen van betrokkenen en het niet bieden van een eerlijke procesgang. De rechter heeft het wrakingsverzoek schriftelijk afgewezen en berustte niet in het verzoek.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 36 Rv Pro en artikel 6 EVRM Pro wraking alleen mogelijk is indien de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is en dat een wrakingsverzoek niet kan worden ingediend nadat een einduitspraak is gedaan. Omdat het verzoek na de einduitspraak werd ingediend, verklaarde de rechtbank de verzoeker niet-ontvankelijk en zag af van inhoudelijke behandeling. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de einduitspraak is ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/254633 / KG RK 26/220
Beslissing van 9 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. M.E. van Rossum,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking in de onderliggende procedure van 19 maart 2026;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 20 maart 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 30 maart 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. M.E. van Rossum, kantonrechter, die is belast met de behandeling van de civiele procedure met zaaknummer [nummer] . In die procedure is aan de orde een verzoek tot ondercuratelestelling van de verzoeker.
2.2.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daartoe heeft de verzoeker aangevoerd dat de wijze waarop de procedure is verlopen, hem onvoldoende vertrouwen heeft gegeven in een onpartijdige beoordeling van zijn zaak. Daarnaast heeft de verzoeker aangevoerd dat essentiële procedurele regels niet zijn nageleefd. Zo zijn betrokkenen niet gehoord, hetgeen in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor. Tot slot heeft de verzoeker aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen, hetgeen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per brief van 30 maart 2026.
3.2.
De rechter heeft aangevoerd dat bij beschikking van 19 maart 2026 reeds door de rechter is beslist op het verzoek tot ondercuratelestelling van de verzoeker.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat in de onderliggende procedure een verzoek tot ondercuratelestelling van de verzoeker aan de orde is. De mondelinge behandeling van dat verzoek heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de rechter op dit verzoek beslist. De verzoeker heeft het wrakingsverzoek op 20 maart 2026 ingediend waarmee het verzoek tot wraking is gedaan nadat de rechter in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat een einduitspraak is gedaan. Om die reden kan de verzoeker dan ook niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
4.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen aanleiding. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gelet op het vorenstaande niet toegekomen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
5.2.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan
- de verzoeker;
- de gewraakte rechter, mr. M.E. van Rossum;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven op 9 april 2026 door mr. C.M. Telman, voorzitter, mr. H.J. Idzenga en mr. I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Toussaint als griffier.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.