Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1174

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/18//26/1070 R en C/18/26/1071 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na staking onderneming en beroep op hardheidsclausule

Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege hun onvermogen om schulden te voldoen. De onderneming van verzoeker sub 1 is in december 2025 gestaakt na ziekte en mantelzorg, waarna hij fulltime in loondienst trad en verzoeker sub 2 een WIA-uitkering ontvangt.

De rechtbank constateert dat verzoekers niet volledig te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van een deel van de schulden, met name de vorderingen van de belastingdienst en het CJIB. Desondanks wordt het verzoek toegewezen op grond van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro), omdat de oorzaak van de schuldenproblematiek onder controle is en er sprake is van een bestendige gedragsverandering.

De rechtbank stelt de duur van de schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis en benoemt een rechter-commissaris. Er is geen aanleiding voor een eerdere ingangsdatum. De bewindvoerder krijgt opdracht tot het openen van correspondentie aan schuldeisers.

Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen voor een periode van 18 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Leeuwarden

zaaknummer: C/18//26/1070 R en C/18/26/1071 R

vonnis van 18 maart 2026

in de zaak van:

[verzoeker sub 1] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] en

[verzoeker sub 2], geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,
Beiden wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekers

PROCESGANG

Verzoekers hebben op 23 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 4 maart 2026. Daarbij is verzoeker [verzoeker sub 1] verschenen tezamen met mevrouw [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] B.V. Verzoekster [verzoeker sub 2] was vanwege ziekte niet aanwezig en zij heeft een schriftelijke machtiging opgemaakt waarin zij [verzoeker sub 1] heeft gemachtigd namens haar te spreken welke ter zitting is overhandigd.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekers in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betaling van hun schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoekers hebben een totale schuldenlast van € 157.774,13, waaronder een vordering van de belastingdienst van in totaal € 130.891,00 en een vordering van het CJIB. Een deel van de vorderingen heeft betrekking op de onderneming van verzoeker [verzoeker sub 1] . Verzoeker heeft in de periode van april 2006 tot tot december 2025 een onderneming gehad. In verband met ziekte en verleende mantelzorg aan verzoekster [verzoeker sub 2] kwamen de bedrijfsactiviteiten onder druk te staan en konden lasten niet meer worden opgebracht. Toen bleek dat de onderneming niet levensvatbaar was, heeft verzoeker zijn onderneming in december 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
De onderneming is inmiddels volledig beëindigd en verzoeker [verzoeker sub 1] heeft thans een fulltime loondienstverband bij uitzendbureau en verzoekster [verzoeker sub 2] ontvangt een WIA uitkering. De schuldhulpverlener heeft ter zitting aangegeven dat verzoekers alle lasten van hun vrijlating kunnen voldoen en dat geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Er is budgetbeheer opgestart en de financiële situatie is stabiel.

BEOORDELING

De rechtbank stelt vast dat verzoekers ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. Dit geldt met name voor de vordering van de belastingdienst, alsmede de CJIB vordering.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekers de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekers nu verkeren zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker [verzoeker sub 1] heeft zijn onderneming gestaakt en is fulltime werkzaam, verzoeker [verzoeker sub 2] ontvangt een WIA uitkering waardoor vaste lasten opgebracht kunnen worden. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat verzoekers niet hebben verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker sub 1] ,geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
gevestigd te [adres] ,
ingeschreven bij KvK onder nummer [kvk-nummer]
en
[verzoeker sub 2] ,geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ;
- stelt de termijn van de regelingen vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brievenen telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken door
mr. H.J. Idzenga op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.