Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1154

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600656:R-RK
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 FwArt. 305 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot opschorting ontruiming wegens niet tijdige huurbetaling

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis te verbieden, met het oog op het treffen van een minnelijke schuldregeling met schuldeisers. De rechtbank heeft eerder een tussenvonnis gewezen waarbij de ontruiming voorlopig werd verboden onder de voorwaarde dat de lopende huurverplichtingen werden nagekomen.

Tijdens de procedure bleek dat verzoeker de huur over januari 2026 niet volledig had voldaan, ondanks betaling van februari en maart. De schuldhulpverlener verklaarde dat een derde misbruik maakte van verzoekers pinpas, maar dat verzoeker inmiddels een andere bankrekening gebruikt. Verzoeker was niet verschenen bij de zitting om zijn situatie toe te lichten.

De verhuurder voerde aan dat de huur niet was betaald en dat verzoeker overlast veroorzaakte. De rechtbank oordeelde dat de voorwaarde uit het tussenvonnis niet was nagekomen en dat het belang van de verhuurder om te ontruimen zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om een minnelijke regeling te treffen.

Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. De schuldhulpverlener handhaaft het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, waarover bij afzonderlijk vonnis wordt beslist.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet tijdige betaling van de lopende huurtermijnen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
Rekestnummer: NL:TZ:2600656:R-RK
Uitspraak van 9 maart 2026
In de zaak van
[vezoeker],
geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
Peled Vastgoed en Beheer B.V.,
kantoorhoudende te Amstelveen,
gemachtigde: NL. Legal, gevestigd te [adres] Emmen
hierna te noemen de verhuurder,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).
Samenvatting
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De rechtbank wijst het verzoek af.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure bestaat uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 9 december 2025 en het exploot van 29 december 2025 waarin de ontruiming is aangezegd tegen 21 januari 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- het tussenvonnis van de rechtbank van 15 januari 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door verzoeker worden nagekomen;
- de zitting van maandag 2 maart 2026, waarbij aanwezig waren:
- [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener;
- namens de verhuurder [naam] , werkzaam bij NL. Legal,
Hoewel behoorlijk opgeroepen is verzoeker niet ter zitting verschenen.
1.2
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1
Verzoeker verzoekt de rechtbank om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 9 december 2025. Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen.
2.2
Op 23 februari 2026 heeft de schuldhulpverlener tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt het volgende. De inventarisatie van de schulden is afgerond. Het schuldenoverzicht is ter controle en ondertekening verzonden aan verzoeker. De verwachting is dat binnen 2 tot 3 maanden duidelijk is of de minnelijk schuldregeling is geslaagd. De huur van de maand februari 2026 is voldaan op 30 januari 2026 en de huur van de maand maart 2026 is voldaan op 23 februari 2026. Schuldsupport heeft begin januari 2026 een spoedverzoek bewind en mentorschap ingediend.
2.3
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoeker de huur over de maand januari 2026 niet heeft betaald. Een derde heeft geld gepind met de pinpas van verzoeker. Inmiddels is deze pinpas geblokkeerd. De beheerrekening van verzoeker stond onder inkomensbeheer en niet onder bewind, waardoor een derde geld heeft kunnen wegsluizen naar haar eigen rekening. Verzoeker maakt inmiddels gebruik van een andere bankrekening. Zijn pensioenuitkering wordt daarop gestort. Overlast vormt niet de grondslag van het ontruimingsvonnis. Indien het verzoek wordt afgewezen en er wordt ontruimd zullen er onkosten en mutatiekosten worden gemaakt en zal de schuldenlast verder oplopen. Gelet op de bestedingsruimte van € 900,00 per maand, kan er gelet op de geringe schuldenlast wellicht een aanbod van 100% worden gedaan aan de schuldeisers.

3.Het verweer

3.1
De verhuurder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van verzoeker dient te worden afgewezen omdat de huur over de maand januari niet is betaald.
3.2
De heer [naam] voert ter zitting namens de verhuurder voorts aan dat verzoeker veel overlast veroorzaakt. Verzoeker aanvaardt geen hulp en de familie van verzoeker heeft de handen van hem afgetrokken. Zowel de gemeente als de politie kunnen niet optreden. Door een ontruiming zullen hulpinstanties wel in beeld komen. Er wordt door een derde misbruik gemaakt van verzoeker. Het is de vraag of hulpverlening van de grond komt als ontruiming uitblijft.

4.De beoordeling

4.1
De gevraagde voorlopige voorziening strekt naar haar aard tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro. In het tweede lid van het genoemde artikel is – kort gezegd – bepaald dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis wordt opgeschort voor de duur van de schuldsaneringsregeling, mits de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan.
4.2
De rechtbank overweegt dat beslissend is de vraag of de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming met de schuldeisers te komen over een minnelijke schuldregeling. Met betrekking tot de vraag of de voorziening gerechtvaardigd is overweegt de rechtbank als volgt.
4.3
De rechtbank stelt vast dat verzoeker de voorwaarde uit het tussenvonnis van 15 januari 2026 niet is nagekomen. Verzoeker heeft de huur voor een gedeelte van de maand januari 2026 vanaf de datum van het tussenvonnis niet voldaan. Verzoeker heeft de voorwaarde dat de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan niet nageleefd. Nu verzoeker niet ter zitting is verschenen om de situatie toe te lichten, ziet de rechtbank geen aanleiding om verzoeker nog een nadere termijn te geven voor betaling van de huur van de maand januari 2026 vanaf de datum van het tussenvonnis.
4.4
Gelet op het feit dat niet is voldaan aan de in het tussenvonnis gestelde voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de verhuurder om de woning te ontruimen dient te prevaleren boven het belang van verzoeker om in het minnelijk traject met zijn schuldeisers overeenstemming te bereiken over een minnelijke schuldregeling.
4.5
De gevraagde voorziening zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.
4.6
De schuldhulpverlener heeft op de zitting laten weten het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven als de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt bij afzonderlijk vonnis beslist.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. S. van Gessel, rechter, in samenwerking met L. Nijenhuis, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.