Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1151

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/18/26/1061 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toelating WSNP met eerdere ingangsdatum en verlenging

Verzoeker heeft op 23 december 2025 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek op 18 februari 2026 en stelde vast dat verzoeker niet meer kan voldoen aan zijn betalingsverplichtingen. Hoewel verzoeker geen eerdere ingangsdatum had gevraagd, besloot de rechtbank deze toch vast te stellen op 4 september 2024, achttien maanden voor de uitspraak, omdat verzoeker gedurende die periode aan de inspannings- en afdrachtverplichtingen had voldaan.

De rechtbank constateerde dat verzoeker sinds 2021 betrokken was bij een schuldhulptraject en dat er door beslaglegging op zijn inkomsten vanaf februari 2024 geen spaarcapaciteit was voor gezamenlijke schuldeisers. Dit werd niet aan verzoeker toegerekend. Verder was verzoeker sinds februari 2023 volledig arbeidsongeschikt en ontving hij een WIA-uitkering, waardoor geen inspanningsverplichting tot werk of sollicitatie bestond.

De WSNP-termijn wordt vastgesteld op 24 maanden vanaf 4 september 2024, eindigend op 4 september 2026. Omdat verzoeker al achttien maanden aan verplichtingen heeft voldaan, wordt de regeling verlengd met zes maanden vanaf de uitspraakdatum, waarbij verzoeker niet verplicht is inkomsten boven het Vtlb af te dragen. Alle overige verplichtingen blijven van kracht. De rechtbank benoemt een bewindvoerder en rechter-commissaris en geeft instructies voor het beheer van de boedel.

Uitkomst: Verzoek tot toelating WSNP toegewezen met eerdere ingangsdatum en verlenging zonder afdrachtverplichting boven het Vtlb.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1061 R

vonnis van 4 maart 2026

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoeker.

PROCESGANG

Verzoeker heeft op 23 december 2025 en verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 18 februari 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met de heer [naam 1] , werkzaam bij Zuidweg Schuldhulp en de heer [naam 2] , werkzaam bij de gemeente Sudwest Fryslan.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank echter aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker zich reeds in 2021 heeft gemeld voor een schuldhulptraject bij Zuidweg en dat het tot december 2025 heeft geduurd alvorens een Wsnp-verzoek is ingediend, waarbij er geen minnelijk voorstel is gedaan aan de schuldeisers. De rechtbank stelt verder vast dat gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van verzoeker. Daardoor is er vanaf 28 februari 2024 een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan verzoeker. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum. Voorts blijkt uit de overgelegde vtlb-berekening dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft.
De rechtbank stelt bovendien vast dat in de periode van het schuldhulpverleningstraject geen inspanningsverplichting op verzoeker rustte omdat hij vanaf 14 februari 2023 volledig arbeidsongeschikt is verklaard en uit de overgelegde stukken blijkt dat hij nog steeds een WIA-uitkering ontvangt.
Vanwege de inhoud van de stukken en het besprokene op de zitting, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker gedurende ten minste achttien maanden heeft voldaan aan de inspannings- en afdrachtverplichting. Dit betekent dat de rechtbank bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum zal uitgaan van achttien maanden.
In dit geval is de toepassing van de WSNP achttien maanden voor de uitspraak van vandaag ingegaan, namelijk op 4 september 2024. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat verzoeker in die periode heeft voldaan aan de inspannings- en afdrachtverplichting.
Binnen de WSNP heeft verzoeker ook andere verplichtingen, te weten de informatieverplichting en de verplichting om schuldeisers niet te benadelen. De rechtbank kan niet beoordelen in hoeverre aan die verplichtingen is voldaan. De bewindvoerder moet zoals voorgaand aangegeven, onder toezicht van de rechter-commissaris, erop toezien dat die verplichtingen worden nagekomen. Verder ontstaan sommige verplichtingen pas door het op verzoeker van toepassing verklaren van de WSNP. Dat betreft bijvoorbeeld de verplichting om tot de boedel behorende goederen af te staan. Dat brengt mee dat verzoeker in de voorgaande periode niet aan alle uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen heeft kunnen voldoen. Om die reden zal de rechtbank de termijn van de WSNP verlengen met zes maande, zodat de resterende periode van de WSNP vanaf de uitspraak van vandaag in totaal zes maanden bedraagt.
Omdat verzoeker al wel gedurende ten minste achttien maanden heeft voldaan aan zijn inspannings- en afdrachtverplichting, is hij vanaf de datum van vandaag niet meer verplicht zich in te spannen zoveel mogelijk inkomsten te verzamelen en zijn inkomsten boven het Vtlb af te dragen aan de boedel. Alle overige verplichtingen blijven gedurende de resterende duur van de WSNP bestaan. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat alles wat verzoeker heeft en gedurende de resterende periode van de WSNP verkrijgt, in de boedel valt.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 24 maanden te rekenen vanaf
4 september 2024, waardoor deze termijn eindigt op 4 september 2026;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven
en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga, rechter, en in het openbaar uitgesproken op
4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.