Verzoeker heeft bij de rechtbank een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning te schorsen, omdat hij een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers wil treffen. De verhuurder dreigde de woning op 14 januari 2026 te ontruimen. De rechtbank heeft op 12 januari 2026 een tussenvonnis gewezen en een tijdelijke voorziening getroffen.
De rechtbank constateert dat de huur sinds het tussenvonnis tijdig en volledig is betaald en dat verzoeker budgetbeheer heeft en een spoedaanvraag voor beschermingsbewind heeft ingediend. De verhuurder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd en stemt in met de situatie.
De rechtbank oordeelt dat het moratorium noodzakelijk is om verzoeker in staat te stellen in relatieve rust een minnelijke schuldregeling te treffen. De voorziening wordt voor maximaal zes maanden toegekend, onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig en volledig worden voldaan. De voorziening vervalt bij intrekking of definitieve beslissing op het Wsnp-verzoek.