De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een veroordeelde die is veroordeeld voor onder andere afdreiging (sextortion) en witwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk gesteld op circa €119.705,27, later bijgesteld naar €118.755,27. De raadsman van de veroordeelde verzocht primair afwijzing van de vordering wegens dubbele ontneming en subsidiair matiging van het bedrag.
De rechtbank baseerde haar schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op bewezen verklaarde feiten en andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestonden. Voor slachtoffers aangeduid als [meisje 2], [meisje 4], [meisje 7] en [meisje 30] werd afdreiging bewezen verklaard en bedragen vastgesteld die door middel van afdreiging zijn verkregen. Daarnaast werden bedragen uit onverklaarbare Paysafecard-transacties meegenomen.
De rechtbank wees het verweer van de raadsman af dat de vordering moest worden afgewezen vanwege reeds toegewezen vorderingen van benadeelde partijen, omdat niet was gebleken dat de veroordeelde schadevergoedingen had betaald. Uiteindelijk stelde de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €115.814,79 en legde zij een betalingsverplichting van dat bedrag op aan de veroordeelde.
De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. De uitspraak werd gedaan door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. H. Brouwer, rechters, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.