ECLI:NL:RBNNE:2026:1121

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
18-213965-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging zware mishandeling, mishandeling en belediging politieambtenaar

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten waaronder poging tot zware mishandeling, mishandeling en belediging van een politieambtenaar.

De feiten betreffen onder meer het herhaaldelijk bellen en berichten sturen met intimiderende inhoud aan een ex-partner, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een slachtoffer door te slaan en te trappen, het beledigen van een politieambtenaar tijdens diens dienst en het mishandelen van zijn ex-vriendin met een kopstoot en vuistslagen.

De rechtbank achtte de poging tot zware mishandeling, de belediging van de politieambtenaar en de mishandeling wettig en overtuigend bewezen, terwijl andere tenlastegelegde feiten werden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs. De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uren. Tevens werd een schadevergoeding van €1.500 aan het slachtoffer toegekend, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 120 uren voor poging tot zware mishandeling, mishandeling en belediging van een politieambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-213965-23
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-217775-23, 18-176315-23 en 18-372990-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 3 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.M.J.C. van Lee, advocaat te Donkerbroek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-213965-23
hij in of omstreeks de periode van 29 december 2022 tot en met 10 februari 2023 te Leeuwarden, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen en/of berichten te sturen met een dreigende en/of intimiderende en/of beledigende en/of seksueel getinte inhoud met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Parketnummer 18-217775-23
hij op of omstreeks 23 mei 2023 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 mei 2023 te Leeuwarden, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan.
Parketnummer 18-176315-23
1.
hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] (medewerker van de Politie Noord Nederland), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met zijn gestrekte arm, met in de hand een plastic tas met hierin (volle) blikjes drinken en/of een (scooter)helm, tegen en/of in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 3] heeft gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten hoofdagent bij de Politie Noord-Nederland, ter staande houding en/of controle van het voertuig van verdachte, met zijn verdachtes - gestrekte arm, met in de hand een plastic tas met hierin (volle) blikjes drinken en/of een (scooter)helm, tegen en/of in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 3] heeft gezwaaid en/of zijn verdachtes - arm heeft losgerukt.
2.
hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (medewerker van de Politie Noord-Nederland), in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "vuile flikker" en/of "fucking flikker", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Parketnummer 18-372990-24
hij op of omstreeks 22 november 2024 te Leeuwarden [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en/of door die [slachtoffer 1] meerdere, althans één vuistslag(en) in het gezicht te geven.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-213965-23
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte kwam na het beëindigen van de relatie meerdere keren bij de woning van aangeefster [slachtoffer 1] . Zij en haar tante hebben meerdere keren tegen hem gezegd dat hij hier niet welkom is. Behalve de verklaring van aangeefster is hier echter geen ondersteunend bewijs voor.
Daarnaast heeft verdachte meermaals telefonisch contact proberen te leggen met aangeefster. Hiervan zitten screenshots in het dossier. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bevestigd dat het nummer, waardoor aangeefster meerdere keren is gebeld, van hem is. Voorts heeft verdachte tientallen berichten in een relatief kort tijdsbestek aan aangeefster gestuurd. Zij heeft echter aangegeven dit niet te willen en zij heeft daarom ook niet op zijn berichten gereageerd. Gelet op de combinatie van deze gedragingen als ook de aard van de berichten, kan de belaging wettig en overtuigend worden bewezen.
Parketnummer 18-217775-23
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Parketnummer 18-176315-23
Feit 1
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de inhoud van het dossier volgt dat verdachte met kracht met een tas met blikjes drinken en een helm richting het hoofd van aangever [slachtoffer 3] heeft geslagen. Door op een dergelijke wijze te handelen heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
Feit 2
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Parketnummer 18-372990-24
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-213965-23
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde belaging omdat het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Parketnummer 18-217775-23
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair laste gelegde poging tot zware mishandeling. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er zijn drie getuigenverklaringen en deze verklaringen zijn wisselend en onnauwkeurig, met name voor wat betreft het schoppen tegen het hoofd dan wel tegen het lichaam van aangever [slachtoffer 2] . Hoewel getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte tegen het hoofd van aangever heeft getrapt, is dit niet uit de letselverklaring af te leiden. Gelet hierop, alsmede de wisselende getuigenverklaringen kan niet worden vastgesteld dat verdachte aangever heeft geschopt. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18-176315-23
Feit 1
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair laste gelegde poging tot zware mishandeling. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Feit 2
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Parketnummer 18-372990-24
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het laste gelegde feit wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Er zijn geen getuigen en geen camerabeelden die de aangifte van [slachtoffer 1] ondersteunen.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-213965-23
Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft in een periode van 11 januari 2023 tot en met 24 januari 2023 aangeefster [slachtoffer 1] twintig keer geprobeerd te bellen. Dertien keer (11 januari 2023 2 keer, 17 januari 2023 5 keer en 21 januari 2023 6 keer) daarvan vonden heel kort, te weten, binnen twee minuten, na elkaar plaats.
Verdachte heeft daarnaast in de ten laste gelegde periode allerlei berichten naar aangeefster gestuurd waarvan twee berichten seksueel getint waren.
De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als een belaging omdat niet kan worden gezegd dat verdachte een stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft weliswaar vaak geprobeerd aangeefster te bellen, maar deze pogingen hebben voor een groot deel op drie dagen heel kort achter elkaar plaatsgevonden, en daarom beschouwt de rechtbank dit voor wat betreft de impact als één belpoging. Het komt er dan op neer dat aangeefster op acht dagen door
verdachte is gebeld. Voorts stuurde verdachte op 30 december 2022 aan aangeefster weliswaar berichten van expliciete seksuele aard, die dwingend van aard zijn, maar alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat met genoemde gesprekken en berichten in dit geval onvoldoende sprake is van de voor belaging vereiste frequentie en indringendheid om tot een bewezenverklaring te komen.
De rechtbank merkt nog op dat het plaatsen van een filmpje op facebook met seksuele inhoud waarop aangeefster te zien zou zijn, niet ten laste is gelegd.
Parketnummer 18-217775-23
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 23 mei 2023, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023131123 van 7 september 2023, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik ben mishandeld door [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). Op dinsdag 23 mei 2023 was ik in Leeuwarden. Ik weet nog dat [verdachte] naar mij toe kwam lopen met grote passen en het eerstvolgende moment dat ik mij herinner is dat ik in de ambulance lag. Ik voelde pijn aan de linkerzijde van mijn hoofd. Ik voelde dat iets mijn hoofd had geraakt. Ik had op dat moment ook last van zichtverlies. Als ik mijn rechteroog op dit moment van de aangifte sluit is het zicht in mijn linkeroog troebel en wazig, alsof het heel veel moeite kost om scherp te stellen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 mei 2023, opgenomen op pagina 13 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Ik was op 23 mei 2023 samen met [slachtoffer 2] in Leeuwarden. Er kwam een jongen aanrijden op een scooter die ik herken als [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 2] een vuistslag tegen zijn hoofd gaf. Ik zag dat [slachtoffer 2] op de grond viel.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 mei 2023, opgenomen op pagina 15 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Op 23 mei 2023 was ik op [adres] in Leeuwarden.
Ik zag dat persoon 1 van zijn scooter stapte. Hierop zag ik dat persoon 1 zijn rechterarm naar achteren bracht en met snelheid vanuit zijn heup naar voren bewoog. Ik zag dat hij zijn rechterhand balde tot een vuist. Ik zag dat persoon 1 de man raakte ter hoogte van zijn linker slaap. Ik zag dat de man door deze klap op de grond terecht kwam. Ik zag dat persoon 1 naast de man stond. Ik zag dat persoon 1 zijn rechtervoet naar achteren bracht. Ik zag dat persoon 1 met kracht en snelheid zijn voet naar voren bracht. Ik zag dat persoon 1 de man vol in zijn gezicht raakte. Het leek net alsof persoon 1 tegen een voetbal trapte. Ik zag dat het hoofd van de man naar achteren bewoog door de impact van de trap.
4. Een schriftelijk stuk, te weten een geneeskundige verklaring, op 30 mei 2023 opgemaakt en ondertekend door A.W. Westerveld, forensisch arts, opgenomen op pagina 40 en verder van voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als haar geneeskundige verklaring:
Datum onderzoek: 30-05-2023
Betrokkene: [slachtoffer 2]
De oogleden van het linker oog zijn met name aan de kant van de slaap geel verkleurd. De
verkleuring loopt door tot op het linker jukbeen met in de huid van de linker zijde van de onderste oogkasrand een viertal ronde blauwpaarse verkleuringen. Mechanisme van ontstaan: onderhuidse bloeduitstortingen ontstaan door uitwendig inwerkend geweld waarbij huid en onderhuidse weefsels tegen een hard voorwerp, zoals bot, worden gedrukt. Had klachten passend bij een hersenschudding. Is een deel
van zijn geheugen kwijt.
5. De eigen waarneming van deze rechtbank ten aanzien van de afbeelding op pagina 44 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:
De rechtbank neemt waar dat op de afbeelding te zien is dat het linker ooglid van aangever blauw van kleur is. Voorts neemt de rechtbank waar dat ter hoogte van het linker jukbeen en bij het oor van aangever een verwonding is te zien.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte op 23 mei 2023 in Leeuwarden met kracht en met een gebalde vuist tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 2] heeft geslagen. Verdachte heeft aangever ter hoogte van zijn linker slaap geraakt. Als gevolg van de klap is aangever op de grond gevallen. Vervolgens heeft verdachte met zijn rechter voet met kracht tegen het hoofd van aangever getrapt. Naar aanleiding van het geweld heeft aangever letsel aan zijn linker oog, ter hoogte van zijn linker slaap en ter hoogte van het jukbeen opgelopen. Verder passen de klachten van [slachtoffer 2] bij een hersenschudding en is hij een deel van zijn geheugen verloren.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal optreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Verdachte heeft aangever met kracht en met gebalde vuist een klap tegen zijn hoofd, in de buurt van zijn slaap, gegeven. Daarnaast heeft hij aangever, terwijl deze op de grond lag, met kracht tegen zijn hoofd geschopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam door de zich daar bevindende vitale onderdelen, zoals de slaap en de hersenen. De kans dat iemand die met kracht tegen het hoofd wordt geslagen en met kracht tegen het hoofd wordt geschopt zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De handelingen van verdachte en het samenstel van gedragingen moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest.
Door op een dergelijke wijze te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Parketnummer 18-176315-23
De rechtbank acht zowel de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling als de subsidiair ten laste gelegde wederspannigheid niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt hiertoe dat het bewijs enkel bestaat uit een aangifte van opsporingsambtenaar [slachtoffer 3] . Zijn aangifte wordt niet ondersteund door enig ander bewijs. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat in het geval er enkel een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar is opgemaakt, dit proces-verbaal voldoende bewijs kan opleveren om tot een bewezenverklaring te komen. Ondersteuning door enig ander bewijsmiddel is dan in beginsel niet noodzakelijk.
Feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 juli 2023, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023187952 van 23 juli 2023, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Pleegdatum: 17 juli 2023
Ik was aan het werk als hoofdagent van de politie in de gemeente Leeuwarden. Ik zag en hoorde dat de verdachte mij aankeek en luid schreeuwde dat ik een flikker was. Vervolgens hoorde ik hem schreeuwen: "Vuile flikker ben jij! Fucking flikker!".
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 juli 2023, opgenomen op pagina 13 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ter hoogte van de ambulance hoor ik verdachte zeggen "Wat een flikker ben jij man, fucking flikker".
Gelet op de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder de onder 2. ten laste gelegde belediging van een ambtenaar op de wijze zoals hierna volgt uit de bewezenverklaring.
Parketnummer 18-372990-24
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 22 november 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024320906 van 10 februari 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Plaats delict: Leeuwarden
Pleegdatum/tijd: vrijdag 22 november 2024
Ik zag dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) in één keer heel dichtbij mijn hoofd kwam staan en ik voelde dat hij mij een kopstoot gaf. Ik voelde dat zijn voorhoofd op mijn neus terecht kwam. Ik zag dat [verdachte] meteen weer dichtbij mij kwam staan en mij drie keer sloeg met zijn gebalde vuist dit betrof zijn rechterhand. Ik voelde dat deze slagen terecht kwamen op mijn linkeroog.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte van 22 november 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 22 november 2024 kregen wij het verzoek om te gaan naar [adres] . Hier woont [slachtoffer 1] . Wij zagen dat [slachtoffer 1] haar linker oog rood en dik was. Wij zagen dat de linker wenkbrauw van [slachtoffer 1] opgezwollen was.
3. De eigen waarneming van deze rechtbank ten aanzien van de afbeelding op pagina 37 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:
De rechtbank neemt waar dat op de afbeelding het volgende te lezen is:
“Naam: [slachtoffer 1]
Afspraakdatum: 22 november 2024
Objectief: Zichtbare blauwe plek in linker jukbeen en zwelling van linkeroogkas.”
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling op de wijze zoals hierna volgt uit de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18-217775-23 primair, het in de zaak met parketnummer 18-176315-23 onder 2. en het in de zaak met parketnummer 18-372990-24 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-217775-23
primair
hij op 23 mei 2023 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [slachtoffer 2] tegen het hoofd heeft getrapt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Parketnummer 18-176315-23
2.
hij op 17 juli 2023 te Leeuwarden, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (medewerker van de Politie Noord-Nederland), in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "vuile flikker" en "fucking flikker”.
Parketnummer 18-372990-24
hij op 22 november 2024 te Leeuwarden [slachtoffer 1] heeft mishandeld door [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en door [slachtoffer 1] meerdere vuistslagen in het gezicht te geven.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-217775-23
primair poging tot zware mishandeling.
Parketnummer 18-176315-23
2. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Parketnummer 18-372990-24
mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-213965-23, het in de zaak met parketnummer 18-217775-23 primair, het in de zaak met parketnummer 18-176315-23 onder 1. primair en 2. en het in de zaak met parketnummer 18-372990-24 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr Pro waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een grotendeels voorwaardelijke taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 3 maart 2026 en de Pro Justitia rapportage van psycholoog
H. Scharft van 27 januari 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, belediging van een ambtenaar in functie en mishandeling van zijn ex-vriendin.
Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling heeft verdachte het slachtoffer zonder aanleiding, na een discussie waar aangever al van was weggelopen, op klaarlichte dag in het openbaar tegen zijn hoofd geslagen en getrapt. Aangever heeft naar eigen zeggen enige tijd het bewustzijn verloren: hij kwam bij in de ambulance. Door zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarbij komt dat dergelijke zinloze geweldsuitspattingen in het openbaar bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Bijna twee maanden later heeft verdachte, wederom omdat hij verontwaardigd was, een politieambtenaar beledigd terwijl deze zijn werk probeerde te doen. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook heeft de verdachte de politieambtenaar aangetast in zijn eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten in het belang van de openbare orde en veiligheid kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. Dit geldt temeer omdat hun werk het in de regel niet toelaat dat zij zich distantiëren van een situatie waarin zulke gedragingen zich zouden kunnen voordoen.
Ruim één jaar na deze feiten is verdachte langs het huis van zijn ex-vriendin gegaan omdat hij het niet eens was met de manier waarop zij hem had gezegd niet verder met hem te willen. Zij heeft aangegeven dat hij niet welkom is in haar huis en naar aanleiding hiervan heeft verdachte het slachtoffer een kopstoot gegeven en drie keer in haar gezicht geslagen. Verdachte heeft op een volstrekt verkeerde manier gereageerd op de situatie en door zijn handelen heeft hij een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij met zijn handelen volledig voorbij is gegaan aan de gevoelens en de belangen van de slachtoffers en slechts oog heeft gehad voor zichzelf en zijn eigen gevoelens van frustratie.
Persoon van verdachte
Verdachte ontkent de feiten en zowel de psycholoog als de reclassering hebben niet kunnen vaststellen of verdachte een stoornis dan wel andere problemen in zijn leven heeft en zo ja, welke invloed deze hebben gehad op de feiten.
De reclassering heeft verdachte in februari 2026 gesproken en tijdens het gesprek heeft verdachte aangegeven dat het goed met hem gaat. Hij woont samen met zijn partner in [plaats] en heeft goed contact met zijn familie. Verdachte werkt sinds begin maart 2026 en hij komt vooralsnog rond van een Wajong-uitkering. Voorts heeft verdachte aangegeven geen hulpvraag te hebben en hij wil daarnaast ook geen bemoeienis vanuit het strafrechtelijke kader.
Volgens verdachte is hij tijdens de feiten opgekomen voor zijn rechten. Verder gebruikt verdachte vanwege zijn geloof geen alcohol of drugs. Verdachte heeft hetgeen door de reclassering is beschreven ter terechtzitting bevestigd.
Omdat verdachte de feiten ontkent, hij weinig responsiviteit toont, hij geen hulpvraag heeft en zichzelf als slachtoffer ziet, ziet de reclassering geen mogelijkheden voor interventies in het kader van oplegging van bijzondere voorwaarden die het risico op recidive kunnen verlagen. Het risico op recidive kan overigens gelet op de houding van verdachte zowel door de psycholoog als door de reclassering niet worden ingeschat.
Straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in 2019 eerder is veroordeeld voor mishandeling. Voorts houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte de belediging heeft gepleegd tegen een politieambtenaar en hij geweld heeft gebruikt tegen zijn ex-vriendin en met de constatering dat hij op geen enkele manier in staat is gebleken zijn eigen gedrag te beoordelen en de gevolgen van zijn gedrag voor anderen te zien.
De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in de zaken die zien op de poging tot zware mishandeling en de belediging van de politieambtenaar.
Hoewel de ernst van de feiten daartoe aanleiding geeft, zal de rechtbank, onder meer vanwege de overschrijding van de redelijke termijn niet overgaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist door de officier van justitie. Daar komt bij dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van minder feiten dan waar de officier van justitie bij zijn eis vanuit is gegaan.
Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr Pro en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarbij als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Benadeelde partij

Parketnummer 18-217775-23
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor niet-ontvankelijk verklaring van de vordering, omdat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 mei 2023.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 266, 267, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen in de zaak met parketnummer 18-213965-23 en het in de zaak met parketnummer 18-176315-23 onder 1. primair en 1. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-217775-23 primair, het in de zaak met parketnummer 18-176315-23 onder 2. en het in de zaak met parketnummer 18-372990-24 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling.

Benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18-217775-23
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 1.500,00 (zegge: duizend vijfhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2023 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,00 (zegge: duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026.
Mr. E.P. van Sloten en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.