Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1114

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/2582
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a AWRParagraaf 21 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete wegens faillissement en adviseursproblemen bij belastingaangifte

Eiser, aandeelhouder van twee BV's waarvan één failliet is verklaard, diende zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2022 en 2023 te laat in. De inspecteur legde verzuimboetes op van €385 per jaar. Eiser stelde dat hij geen verwijt treft vanwege het faillissement van een van de BV's en het niet nakomen van afspraken door zijn adviseur.

De rechtbank stelt vast dat eiser weliswaar actie heeft ondernomen door een adviseur in te schakelen en deze aan te spreken, maar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig en voldoende heeft gehandeld om de aangiften op tijd in te dienen. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas).

Desondanks acht de rechtbank het pleitbaar dat het faillissement en de afhankelijkheid van jaarcijfers van de BV's de tijdige indiening hebben belemmerd. Ook waardeert de rechtbank dat eiser uiteindelijk de aangiften binnen een redelijke termijn heeft ingediend. Daarom matigt zij de boetes tot €175 per aanslag.

De beroepen van eiser worden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de boetes aangepast. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank matigt de verzuimboetes voor te late belastingaangiften 2022 en 2023 tot €175 per aanslag vanwege faillissement en adviseursproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/2582 en 25/2583
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, de inspecteur.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 27 juni 2025.
1.2.
De inspecteur heeft met dagtekening 24 januari 2025 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2022 aan eiser opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.407. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een verzuimboete van € 385 opgelegd. (
LEE 25/2582)
1.3.
De inspecteur heeft met dagtekening 7 februari 2025 een aanslag IB/PVV over het jaar 2023 aan eiser opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.028. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een verzuimboete van € 385 opgelegd. (
LEE 25/2583)
1.4.
De inspecteur heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de boetbeschikkingen gehandhaafd.
1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur: mr. [naam 4] , bijgestaan door mr. [naam 5] . Op deze zitting zijn de beroepen van eiser gezamenlijk behandeld met die van zijn partner [naam 3] (LEE 25/2578 en 25/2579), die eveneens aan de zitting deelnam.

Feiten

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
2.1.
Eiser houdt met ingang van 13 september 2018 1% van de aandelen van [A Trading B.V.] Zijn partner houdt 99% van de aandelen van deze BV. en is tevens bestuurder van deze B.V.
2.2.
[A Trading B.V.] is met ingang van 13 september 2018 100% aandeelhouder en enig bestuurder van [B B.V.]
2.3.
[B B.V.] is per 23 september 2024 failliet verklaard.
Aangiftetraject IB/PVV 2022
2.4.1.
Met dagtekening 28 februari 2023 heeft de inspecteur eiser uitgenodigd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022.
2.4.2.
Op 3 april 2023 heeft de toenmalige adviseur van eiser, Alfa Accountants en Adviseurs, namens eiser verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022. Aan eiser is uitstel verleend tot 1 mei 2024.
2.4.3.
Met dagtekening 24 mei 2024 heeft de inspecteur aan eiser een herinneringsbrief gestuurd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022.
2.4.4.
Met dagtekening 27 juni 2024 heeft de inspecteur eiser aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022. In deze brief is vermeld dat de aangifte IB/PVV 2022 uiterlijk 11 juli 2024 bij de inspecteur binnen moet zijn.
2.4.5.
Eiser heeft uitstel aangevraagd voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022. Naar aanleiding van dit uitstelverzoek is de aanmaningsbrief van 27 juni 2024 komen te vervallen.
2.4.6.
Met dagtekening 8 augustus 2024 heeft de inspecteur aan eiser een brief gestuurd, waarin hij het uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022 tot 1 september 2024 heeft bevestigd.
2.4.7.
Met dagtekening 23 september 2024 heeft de inspecteur eiser aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022. In deze brief is vermeld dat de aangifte IB/PVV 2022 uiterlijk 7 oktober 2024 bij de inspecteur binnen moet zijn.
2.4.8.
Op 26 oktober 2024 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2022 ingediend.
Aangiftetraject IB/PVV 2023
2.5.1.
Met dagtekening 29 februari 2024 heeft de inspecteur eiser uitgenodigd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2023 gestuurd. De aangifte moet voor 1 mei 2024 worden ingediend.
2.5.2.
Met dagtekening 10 juni 2024 heeft de inspecteur aan eiser een herinneringsbrief gestuurd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2023.
2.5.3.
Met dagtekening 31 juli 2024 heeft de inspecteur eiser aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2023. In deze brief is vermeld dat de aangifte IB/PVV 2023 uiterlijk 14 augustus 2024 bij de inspecteur binnen moet zijn.
2.5.4.
Op 26 oktober 2024 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2023 ingediend.
Contact eiser adviseur
2.6.1.
Op 7 juni 2024 heeft de toenmalige adviseur van eiser ( [naam 1] ) aan hem per e-mail het volgende geschreven:

Het was even zoeken wat er precies was misgegaan bij jullie. Maar dit is het geval.
Wij hebben voor al onze relaties aanvullend uitstel aangevraagd bij de Belastingdienst. Hier was extra mogelijkheid voor geboden in verbond met de Corona periode en de extra werkzaamheden die hiervoor gedaan moesten worden. In verband met de overstap van jullie oude accountant naar ons zijn jullie helaas tussen wal en schip geraakt’. Het uitstel is aangevraagd door de oude accountant en daardoor konden wij geen aanvullend uitstel aanvragen.
Mijn collega heeft deze week contact gehad met de Belastingdienst en een mailadres gekregen waar we bijgevoegde brieven digitaal heen kunnen sturen. Vervolgens kunnen we het aanvullend uitstel aan vragen.
Ik verwacht nog steeds komende week concepten gereed te hebben.
2.6.2.
Met dagtekening 6 augustus 2024 hebben eiser en zijn partner een ingebrekestelling naar hun toenmalige adviseur, gestuurd, waarin zij het volgende hebben geschreven:

Geachte hr. [naam 2] , Op 13 oktober 2023 heb ik met u een overeenkomst gesloten voor het verzorgen van onze belastingaangifte voor [B B.V.] , en [A Trading B.V.] alsmede onze prive aangiftes. Helaas bent u onze afspraken niet nagekomen. Ik heb de volgende klachten: Ondanks toezeggingen van het verzorgen van uitstel van belastingaangifte ontvangen wij nog steeds herinneringen hierover van de Belastingdienst welke steeds dreigender worden. Het termijn voor de B.V.’s liep af op 22 juli jl. en prive loopt af op 14 augustus as. Elke post hierover sturen wij vervolgens door maar ontvangen niet of nauwelijks reactie. Elke contactpoging zowel per telefoon, whatsapp of per mail word vrijwel niet beantwoord en zelden teruggebelt. Met deze brief stel ik u in gebreke. Laatste kans om afspraken na te komen Ik verzoek u vriendelijk om alsnog binnen de door de Belastingdienst gestelde termijn de bovengenoemde verplichtingen na te komen. Wanneer u dit niet doet, bent u in verzuim. In dat geval behoud ik mij het recht voor om juridische stappen te nemen en stel ik u nu alvast aansprakelijk voor alle schade die ik heb geleden en nog zal lijden. Ik ga ervan uit dat het niet zover hoeft te komen en ben bereid er in goed overleg met u uit te komen. Verzending van deze brief Ik wil er zeker van zijn dat u deze brief ontvangt. Daarom stuur ik hem zowel per gewone post alswel per mail, Uw reactie zie ik graag tegemoet.
2.6.3.
Op 30 september 2024 heeft de toenmalige adviseur van eiser per e-mail onder meer het volgende aan hem geschreven:

In de bijlage vind je ons schrijven waarin wij de opdracht voor [A Trading B.V.] en jullie IB-aangiftes teruggegeven en de opdracht voor [B B.V.] staken tot nader bericht van de curator.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 terecht en tot de juiste bedragen verzuimboetes heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboetes terecht zijn opgelegd, maar dat er redenen zijn om de boetes te matigen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Aan de belastingplichtige die is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte en die aangifte niet, of niet tijdig heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd. [1] De verzuimboete bedraagt op grond van het boetebeleid van de Belastingdienst in beginsel € 385. [2] Bij het opleggen van de verzuimboete speelt de mate van verwijtbaarheid van het verzuim geen rol. Dit betekent dat alleen het feit dat een aangifte te laat is ingediend de boete al rechtvaardigt. Er hoeft geen sprake te zijn van opzet of schuld bij eiser. Ook hoeft er geen sprake te zijn van een financieel nadeel voor de Belastingdienst ten gevolge van het verzuim. In het geval dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) kan een verzuimboete wel achterwege blijven. Van avas is sprake als de belastingplichtige alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verzuim niet zou worden begaan. [3] Met andere woorden: eiser moet er (binnen zijn mogelijkheden) alles aan hebben gedaan om de aangifte op tijd in te dienen. Dat dit het geval is, moet eiser bewijzen.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 niet heeft gedaan binnen de door de inspecteur gestelde termijnen.
6.2.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat ten onrechte verzuimboetes zijn opgelegd, aangevoerd dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Eiser voert daartoe aan dat hij op 30 september 2024 kreeg te horen dat zijn adviseur geen werkzaamheden meer voor hem wilde verrichten (2.6.3.) en dat hij vanwege het faillissement van [B B.V.] per 23 september 2024, geen andere adviseur kon krijgen.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat eiser alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 tijdig in te dienen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser wel actie heeft ondernomen om zijn aangiften in te dienen, om te beginnen door een adviseur in de arm te nemen. Toen deze adviseur zijn afspraken niet nakwam, heeft eiser hem daar ook op aangesproken (zoals blijkt uit de reactie van de van de adviseur van 7 juni 2024, 2.6.1), maar met de door hem overgelegde stukken heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat hij dit voldoende en tijdig heeft gedaan. Zo schrijft de adviseur op 7 juni 2024 dat hij verwacht de komende week concepten gereed te hebben. Op dat moment was de aangiftetermijn voor de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 al meer dan een maand verstreken. Toen de adviseur blijkbaar kort daarna zijn afspraken niet nakwam, had het op de weg van eiser gelegen dit te controleren en de adviseur aan te sporen. Het verzoek om (nader) uitstel voor de aangifte IB/PVV 2022 (2.4.5.) en de ingebrekestelling met dagtekening 6 augustus 2024 (2.6.2.) heeft eiser pas gedaan nadat hij voor beide aangiften was aangemaand. De rechtbank heeft geen stukken gezien waaruit blijkt dat eiser de adviseur heeft aangespoord, nadat hij voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022 uitstel had gekregen tot 1 september 2024. Eiser heeft weliswaar ter zitting verklaard dat hij of zijn partner de adviseur meerdere malen heeft gebeld, maar hij of zijn partner heeft hiervan geen notities gemaakt, zodat onduidelijk is hoe vaak en wanneer dit heeft plaatsgevonden. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij na de opzegging door zijn toenmalige adviseur (2.6.3.), op zoek is gegaan naar een nieuwe adviseur, maar hij heeft geen contact gezocht met de Belastingdienst. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat geen sprake is van afwezigheid van
alleschuld.
7.
7.1.
Nu vaststaat dat eiser niet tijdig aangiften heeft gedaan en er geen sprake is van avas, zijn terecht verzuimboetes opgelegd van in beginsel € 385. [4] De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de hoogte van deze boetes passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en dat er de navolgende redenen zijn om de boetes te matigen.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de periode dat de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 moesten worden ingediend betrokken was bij [B B.V.] , die op 23 september 2024 failliet is verklaard. De rechtbank acht aannemelijk dat de gebeurtenissen in de periode in aanloop naar dit faillissement een soepele gang van zaken bij het doen van zijn aangiften IB/PVV 2022 en 2023 in de weg hebben gestaan.
7.3.
Anders dan de inspecteur stelt, is de rechtbank van oordeel dat het pleitbaar is dat eiser bij het doen van aangifte IB/PVV heeft gewacht op de jaarcijfers van [B B.V.] , omdat een mogelijke invloed daarvan op zijn aangiften niet onwaarschijnlijk is. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aandeelhoudersrelatie, geen sprake was van standaardaangiften. Dat de uiteindelijk door eiser zelf ingediende aangiften IB/PVV 2022 en 2023 zonder aanpassingen tot aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 hebben geleid, doet daar niet aan af.
7.4.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat eiser, toen duidelijk werd dat hij geen nieuwe adviseur kon vinden, uiteindelijk zelf de aangiften alsnog, hoewel te laat, wel binnen een afzienbare periode heeft ingediend.
7.5.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de verzuimboetes behorend bij de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 te matigen en acht zij voor beide jaren een boete van € 175 passend en geboden.
8.
8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een verdere matiging of vernietiging van de verzuimboetes op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel en neemt daartoe het volgende in aanmerking.
8.2.
Eiser heeft gesteld dat vergelijkbare boetes bij [A Trading B.V.] (in het kader van de vennootschapsbelasting) door de inspecteur in dezelfde feitelijke situatie zijn vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het in deze situatie bij deze rechtspersoon om gelijke gevallen gaat.
8.3.
Eiser heeft ten slotte geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn gegrond.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht van tweemaal € 53 aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
9.2.
De rechtbank zal bij de bepaling van de proceskosten uitgaan van de door eiser gevraagde reiskosten per auto van in totaal € 54,60 (in plaats van openbaar vervoer omdat deze kosten lager zijn dan de kosten per openbaar vervoer). De inspecteur is ter zitting akkoord gegaan met de gevraagde verletkosten van € 103. De rechtbank overweegt dat voor zover er al sprake is van samenhang van de beroepen van eiser en die van zijn partner, deze samenhang niet leidt tot een aanpassing van de gevraagde proceskosten. Omdat de beroepen van eiser zelf gezamenlijk op één zitting zijn behandeld, wordt aan hem maar één keer reiskosten en één keer verletkosten vergoed, zodat de rechtbank de inspecteur per beroep veroordeelt tot een proceskostenvergoeding van € 78,80.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- wijzigt de boetebeschikkingen en stelt de verzuimboete behorend bij de aanslag IB/PVV 2022 nader vast op € 175 en stelt de verzuimboete behorend bij de aanslag IB/PVV 2023 nader vast op € 175;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2582 en van € 53 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2583 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een vergoeding van proceskosten aan eiser van € 78,80 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2582 en € 78,80 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2583.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 2 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, 7% van het wettelijke maximum van € 5.514.
3.Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.
4.Artikel 67a, eerste lid, van de AWR en Paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.