Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1113

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/2578
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a AWRParagraaf 21 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete wegens faillissement en adviseursproblemen bij belastingaangifte

Eiseres, aandeelhouder en bestuurder van een BV die failliet is verklaard, diende haar belastingaangiften over 2022 en 2023 te laat in. De inspecteur legde verzuimboetes op van €385 per jaar. Eiseres voerde aan dat zij geen schuld had omdat haar adviseur afspraken niet nakwam en zij door het faillissement geen nieuwe adviseur kon vinden.

De rechtbank stelde vast dat eiseres wel actie had ondernomen, maar onvoldoende tijdig en adequaat had gehandeld om de aangiften op tijd in te dienen. De verzuimboetes waren daarom terecht opgelegd. Wel achtte de rechtbank het pleitbaar dat het faillissement en het wachten op jaarcijfers de vertraging mede veroorzaakten.

Daarom matigde de rechtbank de boetes tot €175 per aanslag. Ook wees de rechtbank het beroep van eiseres toe, vernietigde de eerdere uitspraken op bezwaar en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter F. Brekelmans op 2 april 2026.

Uitkomst: De verzuimboetes voor de belastingaangiften 2022 en 2023 worden terecht opgelegd maar gematigd tot €175 per aanslag vanwege faillissement en adviseursproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/2578 en 25/2579
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, de inspecteur.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 27 juni 2025.
1.2.
De inspecteur heeft met dagtekening 24 januari 2025 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2022 aan eiseres opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.598. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een verzuimboete van € 385 opgelegd. (
LEE 25/2578)
1.3.
De inspecteur heeft met dagtekening 7 februari 2025 een aanslag IB/PVV over het jaar 2023 aan eiseres opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.334. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een verzuimboete van € 385 opgelegd. (
LEE 25/2579)
1.4.
De inspecteur heeft de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de boetbeschikkingen gehandhaafd.
1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de inspecteur: mr. [naam 3] , bijgestaan door mr. [naam 4] . Op deze zitting zijn de beroepen van eiseres gezamenlijk behandeld met die van haar partner [naam 5] ( LEE 25/2582 en 25/2583 ), die eveneens aan de zitting deelnam.

Feiten

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
2.1.
Eiseres houdt met ingang van 13 september 2018 99% van de aandelen van [A Trading B.V.] Zij is tevens bestuurder van deze B.V. Haar partner houdt 1% van de aandelen van deze BV.
2.2.
[A Trading B.V.] is met ingang van 13 september 2018 100% aandeelhouder en enig bestuurder van [B B.V.]
2.3.
[B B.V.] is per 23 september 2024 failliet verklaard.
Aangiftetraject IB/PVV 2022
2.4.1.
Met dagtekening 28 februari 2023 heeft de inspecteur eiseres uitgenodigd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022.
2.4.2.
Op 3 april 2023 heeft de toenmalige adviseur van eiseres, Alfa Accountants en Adviseurs, namens eiseres verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022. Aan eiseres is uitstel verleend tot 1 mei 2024.
2.4.3.
Met dagtekening 24 mei 2024 heeft de inspecteur aan eiseres een herinneringsbrief gestuurd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022.
2.4.4.
Met dagtekening 27 juni 2024 heeft de inspecteur eiseres aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022. In deze brief is vermeld dat de aangifte IB/PVV 2022 uiterlijk 11 juli 2024 bij de inspecteur binnen moet zijn.
2.4.5.
Op 1 juli 2024 heeft eiseres telefonisch contact opgenomen met de Belastingtelefoon. Tijdens dit gesprek heeft eiseres verklaard op 7 juni 2024 een verzoek tot uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022 te hebben ingediend, maar daarop geen reactie te hebben ontvangen. Naar aanleiding van dit contact is de aanmaningsbrief van
27 juni 2024 komen te vervallen.
2.4.6.
Met dagtekening 8 augustus 2024 heeft de inspecteur aan eiseres een brief gestuurd, waarin hij het uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022 tot 1 september 2024 heeft bevestigd.
2.4.7.
Met dagtekening 23 september 2024 heeft de inspecteur eiseres aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2022. In deze brief is vermeld dat de aangifte IB/PVV 2022 uiterlijk 7 oktober 2024 bij de inspecteur binnen moet zijn.
2.4.8.
Op 26 oktober 2024 heeft eiseres de aangifte IB/PVV 2022 ingediend.
Aangiftetraject IB/PVV 2023
2.5.1.
Met dagtekening 29 februari 2024 heeft de inspecteur eiseres uitgenodigd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2023. De aangifte moet voor 1 mei 2024 worden ingediend.
2.5.2.
Met dagtekening 7 juni 2024 heeft de inspecteur aan eiseres een herinneringsbrief gestuurd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2023.
2.5.3.
Met dagtekening 31 juli 2024 heeft de inspecteur eiseres aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2023. In deze brief is vermeld dat de aangifte IB/PVV 2023 uiterlijk 14 augustus 2024 bij de inspecteur binnen moet zijn.
2.5.4.
Op 26 oktober 2024 heeft eiseres de aangifte IB/PVV 2023 ingediend.
Contact eiseres adviseur
2.6.1.
Op 7 juni 2024 heeft de toenmalige adviseur van eiseres ( [naam 1] ) aan haar per e-mail het volgende geschreven:

Het was even zoeken wat er precies was misgegaan bij jullie. Maar dit is het geval.
Wij hebben voor al onze relaties aanvullend uitstel aangevraagd bij de Belastingdienst. Hier was extra mogelijkheid voor geboden in verbond met de Corona periode en de extra werkzaamheden die hiervoor gedaan moesten worden. In verband met de overstap van jullie oude accountant naar ons zijn jullie helaas tussen wal en schip geraakt’. Het uitstel is aangevraagd door de oude accountant en daardoor konden wij geen aanvullend uitstel aanvragen.
Mijn collega heeft deze week contact gehad met de Belastingdienst en een mailadres gekregen waar we bijgevoegde brieven digitaal heen kunnen sturen. Vervolgens kunnen we het aanvullend uitstel aan vragen.
Ik verwacht nog steeds komende week concepten gereed te hebben.
2.6.2.
Met dagtekening 6 augustus 2024 hebben eiseres en haar partner een ingebrekestelling naar hun toenmalige adviseur gestuurd, waarin zij het volgende hebben geschreven:

Geachte hr. [naam 2] , Op 13 oktober 2023 heb ik met u een overeenkomst gesloten voor het verzorgen van onze belastingaangifte voor [B B.V.] , en [A Trading B.V.] alsmede onze prive aangiftes. Helaas bent u onze afspraken niet nagekomen. Ik heb de volgende klachten: Ondanks toezeggingen van het verzorgen van uitstel van belastingaangifte ontvangen wij nog steeds herinneringen hierover van de Belastingdienst welke steeds dreigender worden. Het termijn voor de B.V.’s liep af op 22 juli jl. en prive loopt af op 14 augustus as. Elke post hierover sturen wij vervolgens door maar ontvangen niet of nauwelijks reactie. Elke contactpoging zowel per telefoon, whatsapp of per mail wordf vrijwel niet beantwoord en zelden teruggebelt. Met deze brief stel ik u in gebreke. Laatste kans om afspraken na te komen Ik verzoek u vriendelijk om alsnog binnen de door de Belastingdienst gestelde termijn de bovengenoemde verplichtingen na te komen. Wanneer u dit niet doet, bent u in verzuim. In dat geval behoud ik mij het recht voor om juridische stappen te nemen en stel ik u nu alvast aansprakelijk voor alle schade die ik heb geleden en nog zal lijden. Ik ga ervan uit dat het niet zover hoeft te komen en ben bereid er in goed overleg met u uit te komen. Verzending van deze brief Ik wil er zeker van zijn dat u deze brief ontvangt. Daarom stuur ik hem zowel per gewone post alswel per mail, Uw reactie zie ik graag tegemoet.
2.6.3.
Op 30 september 2024 heeft de toenmalige adviseur van eiseres per e-mail onder meer het volgende aan haar geschreven:

In de bijlage vind je ons schrijven waarin wij de opdracht voor [A Trading B.V.] en jullie IB-aangiftes teruggegeven en de opdracht voor [B B.V.] staken tot nader bericht van de curator.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 terecht en tot de juiste bedragen verzuimboetes heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboetes terecht zijn opgelegd, maar dat er redenen zijn om de boetes te matigen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Aan de belastingplichtige die is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte en die aangifte niet, of niet tijdig heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd. [1] De verzuimboete bedraagt op grond van het boetebeleid van de Belastingdienst in beginsel € 385. [2] Bij het opleggen van de verzuimboete speelt de mate van verwijtbaarheid van het verzuim geen rol. Dit betekent dat alleen het feit dat een aangifte te laat is ingediend de boete al rechtvaardigt. Er hoeft geen sprake te zijn van opzet of schuld bij eiseres. Ook hoeft er geen sprake te zijn van een financieel nadeel voor de Belastingdienst ten gevolge van het verzuim. In het geval dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) kan een verzuimboete wel achterwege blijven. Van avas is sprake als de belastingplichtige alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verzuim niet zou worden begaan. [3] Met andere woorden: eiseres moet er (binnen haar mogelijkheden) alles aan hebben gedaan om de aangifte op tijd in te dienen. Dat dit het geval is, moet eiseres bewijzen.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 niet heeft gedaan binnen de door de inspecteur gestelde termijnen.
6.2.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat ten onrechte verzuimboetes zijn opgelegd, aangevoerd dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Eiseres voert daartoe aan dat zij op 30 september 2024 kreeg te horen dat haar adviseur geen werkzaamheden meer voor haar wilde verrichten (2.6.3.) en dat zij vanwege het faillissement van [B B.V.] per 23 september 2024, geen andere adviseur kon krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat eiseres alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 tijdig in te dienen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres wel actie heeft ondernomen om haar aangiften in te dienen, om te beginnen door een adviseur in de arm te nemen. Toen deze adviseur zijn afspraken niet nakwam, heeft eiseres hem daar ook op aangesproken (zoals blijkt uit de reactie van de van de adviseur van 7 juni 2024, 2.6.1), maar met de door haar overgelegde stukken heeft eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat zij dit voldoende en tijdig heeft gedaan. Zo schrijft de adviseur op 7 juni 2024 dat hij verwacht de komende week concepten gereed te hebben. Op dat moment was de aangiftetermijn voor de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 al meer dan een maand verstreken. Toen de adviseur blijkbaar kort daarna zijn afspraken niet nakwam, had het op de weg van eiseres gelegen dit te controleren en de adviseur aan te sporen. Het verzoek om (nader) uitstel voor de aangifte IB/PVV 2022 (2.4.5.) op 1 juli 2024 en de ingebrekestelling met dagtekening 6 augustus 2024 (2.6.2.) heeft eiseres pas gedaan nadat zij voor beide aangiften was aangemaand. De rechtbank heeft geen stukken gezien waaruit blijkt dat eiseres de adviseur heeft aangespoord, nadat zij voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2022 uitstel had gekregen tot 1 september 2024. Eiseres heeft weliswaar ter zitting verklaard dat zij de adviseur meerdere malen heeft gebeld, maar zij heeft hiervan geen notities gemaakt, zodat onduidelijk is hoe vaak en wanneer dit heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij na de opzegging door haar toenmalige adviseur (2.6.3.), op zoek is gegaan naar een nieuwe adviseur, maar zij heeft geen contact gezocht met de Belastingdienst. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat geen sprake is van afwezigheid van
alleschuld.
7.
7.1.
Nu vaststaat dat eiseres niet tijdig aangiften heeft gedaan en er geen sprake is van avas, zijn terecht verzuimboetes opgelegd van in beginsel € 385. [4] De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de hoogte van deze boetes passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en dat er de navolgende redenen zijn om de boetes te matigen.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in de periode dat de aangiften IB/PVV 2022 en 2023 moesten worden ingediend betrokken was bij [B B.V.] , die op 23 september 2024 failliet is verklaard. De rechtbank acht aannemelijk dat de gebeurtenissen in de periode in aanloop naar dit faillissement een soepele gang van zaken bij het doen van haar aangiften IB/PVV 2022 en 2023 in de weg hebben gestaan.
7.3.
Anders dan de inspecteur stelt, is de rechtbank van oordeel dat het pleitbaar is dat eiseres bij het doen van aangifte IB/PVV heeft gewacht op de jaarcijfers van [B B.V.] , omdat een mogelijke invloed daarvan op haar aangiften niet onwaarschijnlijk is. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aandeelhoudersrelatie, geen sprake was van standaardaangiften. Dat de uiteindelijk door eiseres zelf ingediende aangiften IB/PVV 2022 en 2023 zonder aanpassingen tot aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 hebben geleid, doet daar niet aan af.
7.4.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat eiseres, toen duidelijk werd dat zij geen nieuwe adviseur kon vinden, uiteindelijk zelf de aangiften alsnog, hoewel te laat, wel binnen een afzienbare periode heeft ingediend.
7.5.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de verzuimboetes behorend bij de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 te matigen en acht zij voor beide jaren een boete van € 175 passend en geboden.
8.
8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een verdere matiging of vernietiging van de verzuimboetes op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel en neemt daartoe het volgende in aanmerking.
8.2.
Eiseres heeft gesteld dat vergelijkbare boetes bij [A Trading B.V.] (in het kader van de vennootschapsbelasting) door de inspecteur in dezelfde feitelijke situatie zijn vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het in deze situatie bij deze rechtspersoon om gelijke gevallen gaat.
8.3.
Eiseres heeft ten slotte geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn gegrond.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht van tweemaal € 53 aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
9.2.
De rechtbank zal bij de bepaling van de proceskosten uitgaan van de door eiseres gevraagde reiskosten per auto van in totaal € 54,60 (in plaats van openbaar vervoer omdat deze kosten lager zijn dan de kosten per openbaar vervoer). De inspecteur is ter zitting akkoord gegaan met de gevraagde verletkosten van € 103. De rechtbank overweegt dat voor zover er al sprake is van samenhang van de beroepen van eiseres en die van haar partner, deze samenhang niet leidt tot een aanpassing van de gevraagde proceskosten. Omdat de beroepen van eiseres zelf gezamenlijk op één zitting zijn behandeld, wordt aan haar maar één keer reiskosten en één keer verletkosten vergoed, zodat de rechtbank de inspecteur per beroep veroordeelt tot een proceskostenvergoeding van € 78,80.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- wijzigt de boetebeschikkingen en stelt de verzuimboete behorend bij de aanslag IB/PVV 2022 nader vast op € 175 en stelt de verzuimboete behorend bij de aanslag IB/PVV 2023 nader vast € 175;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2578 en van € 53 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2579 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een vergoeding van proceskosten aan eiseres van € 78,80 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2578 en € 78,80 in het beroep met zaaknummer LEE 25/2579 .
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 2 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, 7% van het wettelijke maximum van € 5.514.
3.Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.
4.Artikel 67a, eerste lid, van de AWR en Paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.