Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1066

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/18/254326 / KG RK 26/204
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid afgewezen

De verzoeker diende op 19 maart 2026 een wrakingsverzoek in tegen mr. P.G. Wijtsma, rechter bij de rechtbank Noord-Nederland, wegens vermeende partijdigheid. De verzoeker stelde dat de rechter zich inhoudelijk had uitgesproken over een zaak waarin het ministerie betrokken was, terwijl hij ook bij andere besluiten betrokken zou zijn geweest, wat de onafhankelijkheid zou schenden. Tevens werd aangevoerd dat de rechter in eerdere procedures onjuiste verklaringen had afgelegd.

De rechter reageerde schriftelijk op 24 maart 2026 en ontkende elke vorm van partijdigheid of onjuistheden in zijn uitspraken. De rechtbank beoordeelde het wrakingsverzoek aan de hand van artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro, waarbij de onpartijdigheid van rechters wordt vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.

De rechtbank concludeerde dat het wrakingsverzoek geen concrete feiten of omstandigheden bevatte die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Ook het beroep op eerdere procedures werd afgewezen omdat het verzoek pas na uitspraak in die zaken werd ingediend. De wrakingskamer verklaarde het verzoek kennelijk ongegrond en besloot de lopende procedures voort te zetten zonder mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. P.G. Wijtsma is kennelijk ongegrond verklaard en de procedures worden voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/254326 / KG RK 26/204
Beslissing van 1 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. P.G. Wijtsma,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 19 maart 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 24 maart 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. P.G. Wijtsma, bestuursrechter, die is belast met de behandeling van de procedures met zaaknummers [zaaknummer] en [zaaknummer] .
2.2.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter zich inhoudelijk heeft uitgesproken over een kwestie tegen het ministerie waarin vernietiging van besluiten van het UWV centraal staat, terwijl de rechter ook betrokken is geweest bij andere besluiten. Volgens de verzoeker is dat in strijd met de onafhankelijkheid van de rechter. Daarnaast heeft de verzoeker aangevoerd dat de rechter in eerdere procedures valse verklaringen heeft afgelegd, nu de rechter ten onrechte heeft gesteld dat de verzoeker werkzaam was als financieel directeur en dat een besluit uit 2021 reeds definitief was, terwijl die informatie onjuist was.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per brief van 24 maart 2026.
3.2.
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van enige (schijn van) partijdigheid aan zijn zijde. Daartoe heeft de rechter aangevoerd dat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij de vernietigde UWV-besluiten, zoals door de verzoeker is gesteld. Voor zover de verzoeker doelt op betrokkenheid bij andere besluiten, geldt volgens de rechter dat de verzoeker niet heeft onderbouwd waarom sprake zou zijn van vooringenomenheid van de rechter. Met betrekking tot het standpunt van de verzoeker over eerdere procedures heeft de rechter aangevoerd dat hij in zijn uitspraken niet heeft overwogen dat de verzoeker werkzaam was als financieel directeur noch dat een besluit uit 2021 definitief was.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2.
Op grond van artikel 8:15 Awb Pro kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3.
De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking in de procedures met zaaknummers [zaaknummer] en [zaaknummer] geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is. Voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op eerdere procedures overweegt de rechtbank dat nu het verzoek is ingediend nadat in de genoemde zaken ( [zaaknummer] , [zaaknummer] en [zaaknummer] ) uitspraak is gedaan, het verzoek op dat punt eveneens kennelijk ongegrond is.
4.4.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
5.2.
bepaalt dat de procedures met zaaknummers [zaaknummer] en [zaaknummer] worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden;
5.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan
- de verzoeker;
- de gewraakte rechter, mr. P.G. Wijtsma;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven op 1 april 2026 door mr. H.J. Idzenga, voorzitter, mr. C.M. Telman en mr. I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Toussaint als griffier.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open