Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1063

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
18.053871.24 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij vastgesteld op €12.710,86

In deze zaak vorderde de officier van justitie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een hennepkwekerij. De officier schatte het voordeel op €80.526,56, gebaseerd op drie oogsten, terwijl de rechtbank een kortere periode en minder oogsten aannam.

De verdediging betwistte de omvang van het voordeel en stelde dat veroordeelde geen winst had ontvangen, omdat hij pas betrokken was nadat de eerste oogst al was verdwenen. De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis in de onderliggende strafzaak, verklaringen van medeveroordeelde en een rapport van het Functioneel Parket Afpakken.

De rechtbank concludeerde dat veroordeelde voordeel had genoten over de periode van 1 september 2023 tot 13 februari 2024, uitgaande van één oogst van 280 planten. De totale opbrengst werd berekend op €31.566,92, met aftrek van kosten van €6.145,20, resulterend in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €25.421,72.

Gezien de afspraak tussen veroordeelde en medeveroordeelde om de opbrengst gelijk te verdelen, werd het voordeel toegerekend aan veroordeelde op €12.710,86. De rechtbank legde hem de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 88 dagen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland op 27 maart 2026.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €12.710,86 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.053871.24
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 27 maart 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 26 februari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 170.000 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.053871.24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 maart 2026, waarbij aanwezig waren veroordeelde en zijn raadsman mr. P.R. Logemann. Het openbaar miniserie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op
80.526,56. Hierbij is de officier van justitie uitgegaan van de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (hierna: het rapport) die is gebaseerd op drie eerdere oogsten, waarbij hij de aangetroffen oogst niet in mindering heeft gebracht. De officier van justitie schat het totale voordeel op 161.053,12. Gelet op de verklaring van de medeveroordeelde bij de politie dat de opbrengsten 50/50 zouden worden verdeeld acht de officier van justitie een toewijzing van gelijke delen voor veroordeelde en zijn medeveroordeelde voor de hand liggen. Van dit bedrag zijn geen elektriciteitskosten afgetrokken, nu deze kosten door Liander N.V. aan medeveroordeelde [medeveroordeelde] zijn toegerekend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering af te wijzen, danwel op nihil te stellen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een kortere periode en dat niet is gebleken dat veroordeelde werkelijk iets ontvangen heeft. Veroordeelde heeft aangegeven dat vanaf het moment dat hij betrokken was, de eerste oogst al weg was. Voorts verzet de raadsman zich tegen een verdeling in gelijke delen. Voor een verdeling in gelijke delen moet er sprake zijn van een gelijk aandeel en gelijke winst, maar veroordeelde heeft niets ontvangen. Bij het aantal oogsten waar het openbaar ministerie nu mee komt is veroordeelde überhaupt niet betrokken geweest.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 27 maart 2026 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 18/053871-24;
Het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 27 maart 2026 in de strafzaak van de medeveroordeelde met het parketnummer 18/335381-23;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 29 februari 2024, opgenomen op pagina 382 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland onderzoek Ungaran, met nummer 2023321679 d.d. 4 maart 2024, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 februari 2024, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [medeveroordeelde] .

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 maart 2026 in de zaak met parketnummer 18/053871-24 veroordeeld ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde in de periode van 1 september 2023 tot en met 13 februari 2024 voordeel heeft gekregen uit de baten van dit door gepleegde strafbare feit.
In de strafzaak heeft de rechtbank een kortere periode bewezen verklaard dan de officier van justitie bewijsbaar vond. Daarnaast heeft de rechtbank de medeveroordeelde gevolgd in zijn stelling dat er in totaal twee keer 280 planten zijn geoogst in afzonderlijke ruimtes en dat er geen sprake is geweest van het gelijktijdig telen in beide ruimtes. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er weliswaar aanwijzingen zijn gevonden, zoals kalkafzetting en stof, die zouden kunnen wijzen op meerdere gelijktijdige oogsten, maar dat die niet voldoende zijn om voorbij te gaan aan de verklaring van medeveroordeelde en de aangetroffen hoeveelheid hennep die daar bij past. Bij de berekening van het voordeel zal de rechtbank daarom uitgaan van de opbrengst van één oogst van 280 planten
Bij de berekening van de opbrengst en de kosten is de rechtbank, naast de verklaring van de medeveroordeelde [medeveroordeelde] , uitgegaan van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016 (hierna: rapport FPA).
Ten aanzien van de kosten merkt de rechtbank op dat alleen kosten voor aftrek in aanmerking komen die in directe relatie staan tot de verkrijging van het voordeel. Dat betekent dat bijvoorbeeld de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het telen en oogsten van de in beslag genomen hoeveelheid hennep niet voor aftrek in aanmerking komen.
Veroordeelde en zijn medeveroordeelde hebben niet eenduidig en consistent verklaard wie welke kosten voor zijn rekening heeft genomen. Om die reden zal de rechtbank uitgaan een gelijke verdeling over veroordeelden van betaalde kosten.
De rechtbank gaat er van uit dat de oogst heeft plaatsgevonden in ruimte B waar tijdens de ontdekking van de kwekerij geen hennepplanten aanwezig waren. Daar lagen slabs op de grond met een afmeting van 700cm bij 250cm, waar in totaal 280 gaten zaten, kennelijk om later planten in te doen. Dit betreft dus 16 planten per vierkante meter. Uit het rapport FPA blijkt dat de opbrengst van 16 planten per m2 27,7 gram per plant bedraagt en de daadwerkelijke opbrengst in geld 4.070,00 per kilogram hennep bedraagt. De medeveroordeelde heeft verklaard dat de stekken 5,00 per stek hebben gekost. Met betrekking tot de kosten voor elektriciteit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het kWh verbruik per kweek van kweekruimte C, zoals aangegeven in de aangifte van Liander N.V.. Op basis daarvan schat de rechtbank de elektriciteitskosten voor de kweek van 280 planten op 3.400,00. (de rechtbank gaat uit van een prijs per Kwh van ongeveer 20 cent)
Medeveroordeelde heeft verklaard dat hij een kennis heeft ingeschakeld om mee te helpen met knippen en hem 800 euro heeft betaald. Hij wil van deze persoon geen naam noemen. Omdat niet duidelijk is
geworden ten behoeve van welke oogst deze kosten gemaakt zouden zijn en veroordeelde niet de naam wil noemen van de knipper, zal de rechtbank uitgaan van de standaardbedragen die in het rapport FPA worden gehanteerd.
Dit levert de volgende berekening op:
Inkomsten
280 planten x 27,7 gram levert op 7.756 kilogram hennep 7,756 kilogram x 4070,00
= totaal 31.566,92
Kosten
Afschrijvingskosten 200,00 (tabel pagina 3 rapport FPA) Hennepstekken 1.400,00 (( 5,00 per stek/plant) Variabele kosten 1.086,40 ( 3,88 per stek/plant) Elektriciteitskosten 3.400,00 (17.149 Kwh per kweek) Kosten knippers 58,80 ( 0,21 per stek/plant)
Totale kosten 6.145,20
Berekening totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Totale opbrengsten 31.566,92
Totale kosten 6.145,20
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: 25.421,72
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde samen met zijn mededader [medeveroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Nu [medeveroordeelde] heeft verklaard dat was afgesproken om de opbrengst 50/50 te verdelen is de rechtbank van oordeel dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel daarom gedeeld moet worden door twee.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat veroordeelde 12.710,86 voordeel heeft genoten en zal de betalingsverplichting eveneens voor dat bedrag aan hem opleggen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 12.710,86.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
12.710,86 (zegge: twaalfduizend zevenhonderdentien euro en zesentachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 88 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2026.
mr. M. van der Veen en C. Vellinga-Terpstra zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.