ECLI:NL:RBNNE:2026:106

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24-269
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve berekening compensatie toeslagenaffaire met betrekking tot kinderopvangtoeslag

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres en de Dienst Toeslagen. De zaak betreft de definitieve berekening van de compensatie voor de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiseres heeft in beroep gesteld dat de compensatie voor de maanden november en december 2013 ten onrechte is afgewezen door de Dienst Toeslagen, die stelde dat er sprake was van een ernstige onregelmatigheid. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake was van een ernstige onregelmatigheid en dat eiseres recht had op compensatie voor deze maanden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens is de Dienst Toeslagen veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/269

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. J. Kuiper).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de compensatie van eiseres voor de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiseres stelt dat de compensatie voor de maanden november en december 2013 ten onrechte is afgewezen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de compensatie.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft vastgesteld dat van een ernstige onregelmatigheid sprake is en dat de compensatie van eiseres over de maanden november en december 2013 daarom ten onrechte is afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie van de gevolgen die zij heeft ondervonden van de kinderopvangtoeslagaffaire.
2.1.
Op 16 augustus 2022 heeft de Dienst Toeslagen drie besluiten met kenmerken UHT DC I (primair besluit I) UHT DC I A (primair besluit II) en UHT DH5 A (primair besluit III) genomen over de definitieve berekening van de compensatie van eiseres. Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 28 december 2023 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen primair besluit I herzien en aan eiseres een hogere compensatie toegekend. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Over 2012 heeft eiseres een voorschot kinderopvangtoeslag ontvangen van € 2.603,-. De kinderopvangtoeslag voor dit jaar is daarna bij beschikking van 6 maart 2015 definitief vastgesteld op nihil, omdat door eiseres onvoldoende stukken zouden zijn aangeleverd. Over 2013 is aan eiseres een herzien voorschot verleend van € 36.600,-. De kinderopvangtoeslag over 2013 is daarna definitief vastgesteld op nihil bij beschikking van 12 februari 2016, omdat eiseres niet zou hebben gereageerd op herhaalde verzoeken om informatie aan te leveren. Nadien is de definitieve beschikking over 2013 herzien naar € 24.912,-.
4. De Dienst Toeslagen heeft aangenomen dat de nihilstellingen van 6 maart 2015 en 12 februari 2016 zijn aan te merken als institutioneel vooringenomen handelen, omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat eiseres door de Dienst Toeslagen is verzocht om informatie aan te leveren voordat de kinderopvangtoeslag is stopgezet. [1]
5. In het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen de compensatie voor de maanden november en december 2013 afgewezen, omdat over deze maanden sprake is van een ernstige onregelmatigheid. [2] Dit is volgens de Dienst Toeslagen het geval, omdat niet is gebleken dat eiseres over de maanden november en december 2013 kinderopvang heeft afgenomen en daarom evident geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag over deze maanden. De Dienst Toeslagen heeft aan eiseres met het bestreden besluit totaal een bedrag van € 32.926,- aan compensatie toegekend voor de overige maanden van 2012 en 2013.
Is sprake van een ernstige onregelmatigheid?
6. Eiseres betoogt dat zij in november en december 2013 kinderopvang heeft afgenomen en dat de Dienst Toeslagen daarom ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Daartoe voert zij aan dat de kinderopvanginstelling waarvan zij gebruik maakte, Elmo’s Daycare, in december 2013 failliet is gegaan en dat zij om die reden geen facturen voor de maanden november en december 2013 heeft ontvangen. Eiseres wijst erop dat de betaling voor de kinderopvang in de maanden november en december 2013 is overgemaakt naar een derdengeldrekening van een advocatenkantoor als gevolg van het faillissement. Wel heeft zij een door haar en namens Elmo’s Daycare ondertekend overzicht van openstaande facturen overgelegd en een op 3 september 2013 ondertekende plaatsingsovereenkomst met ingangsdatum 27 oktober 2013. Ook brengt eiseres naar voren dat zij in deze periode de opleiding “Helpende zorg en welzijn” heeft gevolgd en dat om die reden opvang van haar kinderen ook noodzakelijk was.
6.1.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de compensatie voor de maanden november en december 2013 op goede gronden is afgewezen, omdat uit de door eiseres overgelegde stukken niet blijkt dat eiseres in deze maanden gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Om die reden bestaat volgens de Dienst Toeslagen over deze maanden evident geen recht op kinderopvangtoeslag en daarom eveneens niet op compensatie.
6.1.1.
Hierbij is volgens de Dienst Toeslagen van belang dat eiseres in een bezwaarschrift van 22 mei 2018 heeft aangegeven dat zij maar tot en met september 2013 kinderopvang heeft betaald. Deze mededeling vindt volgens de Dienst Toeslagen ook steun in de overgelegde stukken, omdat de laatste factuur die eiseres heeft overgelegd ziet op oktober 2013. De betaling waar eiseres op wijst kan volgens de Dienst Toeslagen onvoldoende in verband worden gebracht met over november en december 2013 afgenomen kinderopvang. Ook stelt de Dienst Toeslagen dat uit onderzoek is gebleken dat het kinderdagverblijf, anders dan eiseres stelt, per 2 januari 2014 uit de registers van de Kamer van Koophandel (de KvK) is geschreven en per 26 februari 2014 failliet is gegaan.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Dienst Toeslagen eiseres institutioneel vooringenomen heeft behandeld. Ook is niet in geschil dat eiseres over 2013 in beginsel recht kon hebben op kinderopvangtoeslag. Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van een ernstige onregelmatigheid zoals bedoeld in artikel 2.1, tweede lid van de Wht.
6.3.
De rechtbank overweegt dat artikel 2.1, tweede lid, van de Wht bepaalt dat de compensatie niet wordt toegekend indien de door de aanvrager van kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager te wijten zijn. In de wetsgeschiedenis heeft de wetgever overwogen dat van een ernstige onregelmatigheid onder meer sprake is als uit het dossier blijkt dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in het onderzochte toeslagjaar. Daarvan is volgens de wetgever onder meer sprake als het kind waarvoor de toeslag is aangevraagd niet blijkt te bestaan, het kind ouder is dan de geldende leeftijdsgrens of het kind in het geheel geen opvang heeft genoten. [3]
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft aangenomen dat in de maanden november en december 2013 sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Niet gebleken is dat evident geen recht bestond op kinderopvangtoeslag nu de stukken en onderbouwing van eiseres, in samenhang bezien, duidelijke aanwijzingen bevatten dat wel kinderopvang is afgenomen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
6.4.1.
Niet in geschil is dat eiseres tot en met oktober 2013 kinderopvang heeft afgenomen. Dit heeft de Dienst Toeslagen aangenomen op grond van door eiseres overgelegde facturen, handgeschreven overzichten en betalingen. Dit betreffen de maanden die direct voorafgaan aan de maanden waarover de Dienst Toeslagen de compensatie van eiseres heeft afgewezen. Uit de door eiseres overgelegde plaatsingsovereenkomst van 3 september 2013 en het overzicht van openstaande facturen op 17 oktober 2013, beide ondertekend door eiseres en Elmo’s Daycare, volgt dat eiseres met ingang van november 2013 een nieuw contract voor kinderopvang heeft afgesloten. Daaruit blijkt dat zij de intentie heeft gehad om ook vanaf november 2013 kinderopvang af te nemen. Ook heeft eiseres een kennisgeving van uitschrijving van het Noorderpoort Eemsdollard overgelegd waaruit blijkt dat zij op 12 december 2013 de opleiding Zorghulp heeft afgerond. Niet in geschil is dat het volgen van deze opleiding niet mogelijk was zonder een vorm van opvang van haar kinderen.
6.4.2.
Vast staat dat eenmanszaak Elmo’s Daycare per 1 januari 2014 is opgeheven bij de KvK en dat op de eigenaar van Elmo’s Daycare bij vonnis van 25 februari 2014 de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. In dat licht acht de rechtbank het voorstelbaar dat eiseres geen facturen heeft ontvangen over november en december 2013. Verder heeft eiseres ter onderbouwing een bankafschrift bijgevoegd waarop een betaling aan een derdengeldrekening van € 5.235,30 op 8 januari 2014 is opgenomen. Anders dan de Dienst Toeslagen concludeert kan deze betaling in enige mate in verband worden gebracht met door eiseres afgenomen kinderopvang. Daarbij is van belang dat de datum van de betaling dateert van direct na de maanden waarover de opvang is afgenomen. Ook biedt de hoogte van het bedrag, anders dan de Dienst Toeslagen stelt, aanleiding om aan te nemen dat de betaling ziet op kinderopvang. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen gesteld dat een bedrag van € 6.000,- te verwachten zou zijn als betaling voor deze maanden. De betaling waarvan eiseres een afschrift heeft overgelegd benadert dit bedrag en temeer is begrijpelijk dat het bedrag aan de lage kant is gelet op het afronden van de opleiding van eiseres halverwege december en de daaropvolgende feestdagen, waardoor het in de rede ligt dat niet over heel december 2013 opvang is afgenomen.
6.5.
Het betoog van eiseres slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij de compensatie van eiseres over de maanden november en december 2013 is afgewezen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf een beslissing over de compensatie van eiseres te nemen. Dit omdat het aan de Dienst Toeslagen is om een berekening van deze compensatie te maken.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van twaalf weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijg eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting van de rechtbank heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 28 december 2023 voor zover daarin is beslist dat aan eiseres geen compensatie wordt toegekend over november en december 2013;
  • draagt de Dienst Toeslagen op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2.Zoals bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.