Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1056

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
26/576
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen stopzetting pgb door Zorgkantoor

Verzoekster, houdster van een pgb op grond van de Wet langdurige zorg, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Zorgkantoor om haar pgb stop te zetten wegens het niet volledig aanleveren van gevraagde informatie. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om het pgb te laten herleven.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 10 maart 2026, waarbij ook de ouders van verzoekster en de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren. Tijdens de zitting werd duidelijk dat verzoekster inmiddels weet welke informatie het Zorgkantoor nodig heeft en verwacht deze spoedig te overleggen.

Het Zorgkantoor heeft toegezegd het bezwaar met prioriteit te behandelen. Gezien het late stadium van de bezwaarprocedure en de toezegging van het Zorgkantoor, achtte de voorzieningenrechter het niet noodzakelijk een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en gaf aan dat deze beslissing een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor een eventueel bodemgeding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de stopzetting van het pgb wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/576
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Bijlsma),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, het Zorgkantoor

(gemachtigde: mr. S. Gezer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het ongedateerde besluit van het Zorgkantoor, verzonden op 10 december 2025.
1.1.
Verzoekster heeft een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg. Zij realiseert deze zorg met een pgb.
1.2.
Met het bestreden besluit van 10 december 2025 heeft het Zorgkantoor het pgb van verzoekster stopgezet, omdat de opgevraagde informatie niet volledig is overgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.3.
Het Zorgkantoor heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de ouders van verzoekster: [naam 1 en 2], de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het Zorgkantoor.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Verzoekster heeft op 20 december 2025 bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarprocedure hebben partijen overlegd over de nog in te dienen informatie. Op 16 februari 2026 is het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Op 5 maart 2026 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. Voor verzoekster is duidelijk geworden welke informatie het Zorgkantoor nodig heeft om het pgb te laten herleven. Die informatie verwacht zij deze week te overleggen aan het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor heeft toegezegd het bezwaar met prioriteit op te pakken. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het Zorgkantoor op korte termijn beslist op het bezwaarschrift en treft in dit late stadium van de bezwaarprocedure geen voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026 door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.