ECLI:NL:RBNNE:2026:1024

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
18-276977-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77c SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met toepassing adolescentenstrafrecht

Op 17 oktober 2025 stak verdachte het slachtoffer met een mes meerdere keren in arm en rug, wat leidde tot een klaplong en ziekenhuisopname. Verdachte was 22 jaar en kampte met PTSS en ASS, wat leidde tot verminderd toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank verwierp het beroep op noodweerexces omdat de aanval van het slachtoffer was beëindigd en verdachte zich kon onttrekken.

De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe en legde een jeugddetentie van 249 dagen op, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 150 uren. De straf is mede gebaseerd op adviezen van psychologen en reclassering, die begeleiding en controle op middelengebruik voorschreven.

De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €7.802,08 toegewezen voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rechtbank legde een schadevergoedingsmaatregel op om betaling te bevorderen. Het vonnis werd uitgesproken op 31 maart 2026 door de rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 249 dagen jeugddetentie waarvan 180 voorwaardelijk en 150 uur taakstraf wegens poging tot doodslag; beroep op noodweerexces verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-276977-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Özsaran, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,
  • die [slachtoffer] met een mes in de arm en/of (meermaals) in de rug, althans in het lichaam, heeft gestoken, en/of
  • (meermaals) met een mes steekbewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te Groningen aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • een (steek)wond in de rechterbovenarm,
  • een (steek)wond in de rug ter hoogte van het linkerschouderblad, en/of
  • een (steek)wond in de rug en/of de long, waardoor een klaplong is ontstaan heeft toegebracht,
door die [slachtoffer] , met een mes in de arm en/of (meermaals) in de rug, althans in het lichaam, te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar
lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes in de arm en/of (meermaals) in de rug, althans in het lichaam, heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag).
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit - poging tot doodslag - wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 maart 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 oktober 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025282144 van 11 december 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 3 februari 2026, bijgevoegd aan voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van mw. [forensisch arts] , forensisch arts KNMG.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 17 oktober 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,
  • die [slachtoffer] met een mes in de arm en in de rug heeft gestoken,
  • terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1.
primairpoging tot doodslag.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte een beroep toekomt op noodweerexces. Aangever heeft verdachte met een vuist hard op zijn neus geslagen en hem ook geschopt. Dit is te kwalificeren als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verweren. Door aangever vervolgens met een mes te steken, heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden Verdachte is een kwetsbare jongeman met PTSS en ASS-problematiek. In het verleden is hij
zelf slachtoffer van mishandelingen geweest en gekleineerd. De vuistslag in zijn gezicht triggerde angstgevoelens en paniek bij verdachte, welke gevoelens tot zijn daad hebben geleid. De overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging ten gevolge van de aanranding door aangever. Gelet hierop stelt de raadsvrouw dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie en om die reden ook niet van noodweerexces.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweerexces op enig moment sprake moet zijn geweest van een noodweersituatie. Voor het aannemen van een noodweersituatie is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk is.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op grond van de wettige bewijsmiddelen staat vast dat aangever de verdachte op enig moment een klap op zijn neus heeft gegeven en dat verdachte vervolgens achter aangever aan is gerend. Voordat verdachte achter aangever aankwam heeft aangever gezegd dat hij spijt had van de klap en dat verdachte rustig moest worden. Dit alles vond plaats op de openbare weg.
Dat verdachte, nadat hij een klap kreeg, ook is geschopt door aangever vindt geen steun in het dossier. De rechtbank betrekt daarbij dat het letsel van aangever, een steekwond aan de achterzijde van zijn lichaam, niet past bij de verklaring van verdachte dat hij naar verdachte zou hebben uitgehaald terwijl hij voor hem stond. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het beroep op noodweerexces ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet kan slagen.
De door aangever uitgedeelde klap op de neus is weliswaar een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar die aanranding was reeds afgelopen. Niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een nieuwe aanranding door aangever. Aangever bood immers zijn excuses aan en probeerde de gemoederen te bedaren. Het is de rechtbank bovendien niet gebleken dat verdachte zich niet aan de aanval van aangever nog daargelaten dat er geen sprake meer was van een aanval kon onttrekken. Verdachte bevond zich immers op de openbare weg en aangever liep bij verdachte weg. Van verdachte kon en mocht worden verwacht dat hij zich onder die omstandigheden zou onttrekken aan de situatie. De gedragingen van verdachte die daarop volgden zijn echter in de kern bezien aanvallend.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat op verdachte het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Zij heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, waarvan 296 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Daaraan dienen de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld alsmede een contactverbod met het slachtoffer. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om verdachte een werkstraf van 150 uren op te leggen. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu verdachte een geslaagd beroep toekomt op noodweerexces. De raadsvrouw heeft subsidiair gepleit voor de toepassing van het jeugdstrafrecht en verzocht het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toe te rekenen. Zij heeft aangevoerd dat een jeugddetentie van 180 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 120 uren passend is.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het Pro Justitia rapport d.d. 19 december 2025, het advies van Jeugdbescherming Noord d.d. 10 maart 2026, het reclasseringsadvies d.d. 11 maart 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 17 oktober 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte en aangever waren bij verdachte thuis. Zij hadden afgesproken om samen naar de stad te gaan en zijn vervolgens samen op de fiets gestapt. Aangever bedacht zich en wilde niet meer naar de stad. Hierop volgde een discussie waarbij aangever verdachte op zijn neus heeft geslagen. Vervolgens heeft verdachte, met een keukenmes dat hij bij zich droeg, het slachtoffer driemaal in zijn arm en rug gestoken. Vervolgens is verdachte naar huis gegaan en heeft het slachtoffer achtergelaten. Aangever heeft onder meer een klaplong opgelopen. Deze verwonding had fataal kunnen aflopen. Er moest een drain worden geplaatst in de borstkasholte zodat de klaplong zich weer kon ontplooien. Het slachtoffer heeft meerdere dagen in het ziekenhuis gelegen.
Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het incident een grote impact op het slachtoffer heeft. Zo heeft hij naast lichamelijke klachten ook te kampen met psychische effecten. Dergelijke feiten zorgen bovendien voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoon van de verdachte
Over verdachte is een Pro Justitia rapport opgemaakt op 19 december 2025, door K. Oostra, GZ-psycholoog. Uit dit rapport komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van psychische stoornissen bestaande uit een autismespectrumstoornis en een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het plegen van het feit. In het rapport wordt dan ook geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast adviseert de deskundige het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op de kwetsbare persoonlijkheid van verdachte en zijn psychisch functioneren. Het herhalingsgevaar wordt ingeschat als matig. Het recidiverisico neemt echter toe door het gebruik van middelen door verdachte. Wanneer verdachte geen middelen meer gebruikt, passende behandeling en begeleiding volgt gericht op het verbeteren van zijn sociaal-emotioneel functioneren en er toezicht wordt geboden middels een voorwaardelijk strafkader, wordt het recidiverisico als laag tot matig ingeschat.
In het reclasseringsadvies d.d. 11 maart 2026 wordt eveneens geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan begeleiding van de jeugdreclassering, dat hij zich ambulant laat behandelen, dat hij meewerkt aan ambulante woonbegeleiding en dat hij meewerkt aan controles op middelengebruik. Mocht uit deze controles blijken dat het gebruik dusdanige vormen aanneemt dat het risico op recidive sterk negatief beïnvloed wordt, dient verdachte mee te werken aan een ambulante behandeling gericht op het onder controle krijgen en houden van zijn middelengebruik.
In het advies van Jeugdbescherming Noord d.d. 10 maart 2025 wordt toepassing van het volwassenenstrafrecht geadviseerd. Ter zitting heeft de deskundige, de heer R. Wilting, dit nader toegelicht. De jeugdreclassering heeft het wegingskader voor toepassing van adolescentenstrafrecht niet gehanteerd. Zij kunnen niet indiceren wanneer verdachte de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt en adviseren om die reden dat verdachte onder toezicht van de volwassenen-reclassering komt te staan.
Verminderd toerekeningsvatbaar
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid over en acht verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Verdachte was 22 jaar oud toen hij het bewezenverklaarde pleegde. Het Wetboek van Strafrecht geeft de rechtbank de mogelijkheid om rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachten en het jeugdstrafrecht toe te passen (artikel 77c Wetboek van Strafrecht). De rechtbank heeft besloten om in dit geval van deze mogelijkheid gebruik te maken en volgt daarbij de adviezen van de GZ-psycholoog en van de reclassering. Daarbij zal aan de volwassenen-reclassering de opdracht worden gegeven om toezicht houden.
Straf
Het door verdachte begane feit betreft een ernstig geweldsfeit waarvoor in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend is. De rechtbank is van oordeel dat de samenleving en verdachte gebaat zijn bij het verbeteren van de situatie van verdachte. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zal de ingezette begeleiding en ontwikkeling van verdachte frustreren. In dit geval heeft verdachte reeds 69 dagen in voorlopige hechtenis gezeten.
Alles afwegende vindt de rechtbank 249 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Enerzijds wordt hierdoor de ernst van het bewezenverklaarde benadrukt en anderzijds fungeert de forse voorwaardelijke straf als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 11 maart 2026. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een werkstraf opleggen van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie. De rechtbank ziet geen noodzaak tot het opleggen van een contactverbod met het slachtoffer.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 977,08 ter vergoeding van materiële schade en 25.300,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op het gevoerde noodweerexces-verweer. Subsidiair heeft zij zich gerefereerd ten aanzien van het materiële deel van de vordering. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft zij betoogd dat dit sterk gematigd dient te worden. Volgens de raadsvrouw is het passend om aan te sluiten bij de onderkant van de bandbreedte van de Rotterdamse schaal bij middelzware littekenvorming
( 5.500,-) en bij licht letsel categorie a ( 1.450,-). Er is onvoldoende onderbouwing voor de door aangever gestelde diagnose van PTSS en ook dient te worden meegewogen dat het slachtoffer de agressor was.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van lichamelijk letsel immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Benadeelde partij is meerdere malen met een mes gestoken, waarbij hij een klaplong heeft opgelopen en meerdere dagen in het ziekhuis heeft gelegen. De benadeelde partij heeft toegelicht dat hij nog steeds verzwakt is en dat er sprake is van pijnlijke en ontsierende littekenvorming als gevolg van de steekwonden.
Bij het vaststellen van de omvang van de geleden schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. Ten aanzien van de littekenvorming sluit de rechtbank aan bij de categorie minder ernstig van de Rotterdamse schaal. De littekens zijn slechts in beperkte mate ontsierend nu de littekens zich op het lichaamsdelen bevinden die doorgaans door kleding worden bedekt. De rechtbank acht een schadebedrag van 5.500,- passend. Voor het overige sluit de rechtbank aan bij de categorie licht letsel zoals bedoeld in hoofdstuk 13 van de Rotterdamse schaal en acht daarbij een bedrag van 1.325,00
( 2.650, x 0,5)- passend.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van PTSS bij aangever. Gelet op het beperkt ontsierend karakter van de littekens op het lichaam van aangever en het feit dat aangever ten tijde van het delict al bijna 27 jaar oud was, ziet de rechtbank geen aanleiding de verhoging ter zake de jonge leeftijd van aangever toe te passen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding de gevraagde verhoging ter zake het opzet toe te wijzen, nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank verminderd toerekeningsvatbaar is. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de immateriële schade op
6.825,-.
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van 7.802,08 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77c, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 249 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
180 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Dat de veroordeelde meewerkt aan het toezicht door de reclassering en zich meldt op afspraken met de
reclassering zo vaak de reclassering dat nodig vindt;
- Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke
zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de in het NIFP rapport vastgestelde problematiek en het verminderen van het recidiverisico;
- Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal laten begeleiden door Jan Arends of een
soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering;
- Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen en dan met name cannabis, genoemd in lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Mocht uit deze test blijken dat het gebruik dusdanige vormen aanneemt dat het risico op recidive sterk negatief beïnvloed wordt, dient de veroordeelde mee te werken aan een ambulante behandeling gericht op het onder controle krijgen en houden van zijn drugsgebruik.
Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- Ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het
nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- Medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partijen

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 7.802,08 (zegge: zevenduizend achthonderdtwee euro en acht eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.802,08 (zegge: zevenduizend achthonderdtwee euro en acht eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 977,08 aan materiële schade en 6.825,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 64 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zoer, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. A. Nieuwenhuis rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 maart 2026.