LIMOR en [gedaagde] sloten een begeleidingsovereenkomst in november 2024 en een tijdelijke huurovereenkomst in juni 2025, waarbij LIMOR een woning ter beschikking stelde voor de duur van de begeleiding. LIMOR ontving meldingen van overlast en constateerde dat [gedaagde] zich niet aan afspraken hield, waaronder het niet meewerken aan begeleiding. Na twee waarschuwingsbrieven en een incident waarbij een medewerker werd mishandeld, zegde LIMOR de begeleidingsovereenkomst op 5 januari 2026 op en verzocht [gedaagde] de woning te verlaten, wat niet gebeurde.
LIMOR vorderde in kort geding ontruiming van de woning en betaling van een gebruiksvergoeding. De kantonrechter oordeelde dat de begeleidingsovereenkomst en huurovereenkomst onlosmakelijk verbonden zijn en dat het zorgelement overheerst, waardoor geen huurbescherming geldt. De beëindiging van de begeleidingsovereenkomst was terecht vanwege overlast en grensoverschrijdend gedrag, wat ook de huurovereenkomst beëindigde.
De vordering tot ontruiming werd toewijsbaar geacht, met een termijn van veertien dagen na betekening. Ook werd de gebruiksvergoeding toegewezen vanaf 1 maart 2026 tot ontruiming, met rente vanaf de verzuimdata. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.