ECLI:NL:RBNNE:2026:1002

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
18.090585.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van steunbewijs in zedenzaken tegen huisvriend

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 31 maart 2026 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van meerdere zedelijke delicten jegens een minderjarig slachtoffer. De tenlastelegging betrof seksuele handelingen over een periode van 2008 tot 2016.

Hoewel de verklaring van het slachtoffer als authentiek en consistent werd beoordeeld, ontbrak het aan voldoende steunbewijs uit andere bronnen zoals getuigenverklaringen en politie mutatierapporten. De verklaringen van de moeder, beste vriendin en zus van het slachtoffer waren allen gebaseerd op de eigen verklaring van het slachtoffer en boden geen onafhankelijk bewijs. De politie mutatierapporten gaven wel inzicht in een ongezonde relatie, maar bevatten geen concrete aanwijzingen voor seksueel misbruik.

De rechtbank concludeerde dat het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet was gehaald en sprak verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de feiten niet bewezen waren. De zaak benadrukt de bewijstechnische complexiteit van zedenzaken en het belang van steunbewijs.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van voldoende steunbewijs voor de ten laste gelegde zedelijke feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.090585.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
17 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2013 te [plaats] , gemeente Marum, althans in Nederland met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het brengen en/of (vervolgens) houden van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] ;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2016 te [plaats] , gemeente Marum en/of te Leek, althans in Nederland met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
  • het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] , en/of
  • het likken van en/of tussen en/of in de vagina van die [slachtoffer] ;
3
hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2008 tot en met 31 december 2016 te [plaats] , gemeente Westerkwartier, althans in Nederland met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
  • het laten onder plassen van hem, verdachte, door die [slachtoffer] , en/of
  • het laten plassen in de mond van hem, verdachte, door die [slachtoffer] , en/of
  • het schuren van zijn, verdachtes, penis over de (blote) buik en/of de (blote) vagina van die [slachtoffer] .

2.Beoordeling van het bewijs

2.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de aangifte van [slachtoffer] betrouwbaar vindt. Daarnaast ziet zij in de getuigenverklaringen die deel uitmaken van het dossier en de mutatierapporten van de politie uit 2012 en 2015 voldoende steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer] . Zij komt daarom tot wettig en overtuigend bewijs voor alle ten laste gelegde feiten.
2.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, op de gronden zoals nader uitgewerkt in de pleitnota, betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 2 en 3. In het dossier bevindt zich geen steunbewijs ter ondersteuning van de aangifte.
2.3
Oordeel van de rechtbank
2.3.1
Juridisch kader in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken bewijstechnisch meestal lastig zijn. Vaak zijn er immers geen directe getuigen van het vermeende seksueel misbruik en staatde verklaring van de verdachte lijnrecht tegenover die van het vermeende slachtoffer. Daardoor is het vaak moeilijk om vast te stellen wat er precies is gebeurd.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden
gebaseerd op de verklaring van één getuige. De gedachte hierachter is dat het onverantwoord is iemand te veroordelen enkel en alleen op grond van de mededeling van één persoon. Dat betekent dat er aanvullend bewijs nodig is dat afkomstig is uit een andere bron dan het vermeende slachtoffer. Dit wordt steunbewijs genoemd. Steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer.
Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn en of die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het benodigde steunbewijs moet tevens zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen.
2.3.2
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
De vraag die de rechtbank eerst zal beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt om tot uitgangspunt te kunnen dienen voor het bewijs in deze zaak. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een verklaring onder meer gekeken dient te worden naar de consistentie en authenticiteit van de verklaring.
[slachtoffer] heeft op 12 maart 2024, nadat eerst een informatief gesprek met haar heeft plaatsgevonden, aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij vanaf haar zesde of zevende jaar door verdachte, [verdachte] , seksueel is misbruikt. [verdachte] was een huisvriend van de familie en zou gedurende de ten laste gelegde periode van ongeveer zes jaar verschillende seksuele handelingen met en bij [slachtoffer] hebben verricht. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] authentiek en consistent heeft verklaard over de seksuele handelingen die [verdachte] bij haar zou hebben verricht en over de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht de aangifte van [slachtoffer] daarom voldoende om als uitgangspunt voor het bewijs te dienen.
2.3.3
Steunbewijs
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de aangifte van [slachtoffer] voldoende steun vindt in de rest van het dossier. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daarover het volgende.
De getuigenverklaring van de moeder van [slachtoffer]
De moeder van [slachtoffer] , getuige [getuige 3] , heeft verklaard dat [verdachte] een huisvriend van het gezin was. [getuige 3] verklaart verder dat [slachtoffer] pas rond 2023 heeft verteld dat [verdachte] aan haar zou hebben gezeten. [slachtoffer] heeft toen verteld dat alles behalve seks tussen haar en [verdachte] heeft plaatsgevonden. [getuige 3] heeft verklaard dat zij niet zelf heeft gezien wat er tussen [verdachte] en [slachtoffer] is gebeurd.
Naar het oordeel van de rechtbank berust de verklaring van de moeder van [slachtoffer] over het vermeende seksuele misbruik enkel op hetgeen zij van [slachtoffer] heeft gehoord. De verklaring is daarmee afkomstig uit dezelfde bron als de aangifte van [slachtoffer] . Deze verklaring kan daarom niet als steunbewijs dienen.
De getuigenverklaring van de beste vriendin van [slachtoffer]
De beste vriendin van [slachtoffer] , getuige [getuige 1] , heeft verklaard dat zij [slachtoffer] sinds de middelbare school kent en dat zij later samen in Groningen zijn gaan wonen. Volgens [getuige 1] heeft [slachtoffer] op een avond een breakdown gehad. [slachtoffer] heeft toen aan [getuige 1] verteld dat zij seksuele handelingen met [verdachte] moest verrichten, dat [verdachte] ook handelingen bij haar had verricht en ook om welke concrete handelingen het ging. [getuige 1] herinnert zich daarnaast dat [slachtoffer] in haar middelbareschooltijd wel eens
met zuigzoenen in haar nek en op haar borst op school verscheen.
Naar het oordeel van de rechtbank berust de verklaring van de beste vriendin van [slachtoffer] over het vermeende seksuele misbruik uitsluitend op hetgeen zij van [slachtoffer] heeft gehoord. Deze verklaring is daarmee afkomstig uit dezelfde bron als de aangifte, namelijk [slachtoffer] zelf. De emoties die de getuige bij [slachtoffer] heeft waargenomen toen zij haar verhaal heeft verteld, bieden evenmin voldoende steun voor de ten laste gelegde handelingen. Deze emoties zijn pas enkele jaren na de vermeende pleegperiodes vastgesteld en houden daarom onvoldoende verband met de ten laste gelegde ontuchtige handelingen. Voor zover de getuige heeft verklaard dat zij [slachtoffer] in haar middelbareschooltijd wel eens met zuigzoenen heeft gezien, overweegt de rechtbank dat op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld van wie deze afkomstig waren. Gelet op het voorgaande kan de verklaring van de beste vriendin van [slachtoffer] niet als steunbewijs dienen.
De getuigenverklaring van de zus van [slachtoffer]
De zus van [slachtoffer] , getuige [getuige 2] , heeft verklaard dat zij in 2015 ontdekte dat [slachtoffer] een ring droeg. [slachtoffer] was toen dertien of veertien jaar oud en daarnaar gevraagd vertelde ze aan [getuige 2] dat zij een relatie had met [verdachte] . Volgens [getuige 2] gedroegen [slachtoffer] en [verdachte] zich ook als zodanig. Ze zaten dicht bij elkaar, [slachtoffer] droeg de ring met daarin de begindatum van hun relatie gegraveerd en ze stuurden elkaar hartjes via WhatsApp. Pas later heeft [slachtoffer] aan [getuige 2] verteld dat [verdachte] ook aan haar heeft gezeten.
De rechtbank overweegt dat de door de getuige beschreven omstandigheden zien op de aard van die relatie tussen [slachtoffer] en [verdachte] en niet op de concrete handelingen die in deze zaak ten laste zijn gelegd. Voor zover [getuige 2] verklaart over het vermeende seksuele misbruik, overweegt de rechtbank dat deze informatie afkomstig is van [slachtoffer] zelf. Deze verklaring is daarmee gebaseerd op dezelfde bron als de aangifte en kan niet als steunbewijs dienen.
De mutatierapporten van de politie
Tussen 28 maart 2012 en 19 november 2025 zijn door de politie meerdere mutaties opgemaakt omtrent het gezin van [slachtoffer] . Uit de rapporten volgt dat er zorgen bestonden over het gezin, maar ook over onder meer de relatie tussen [verdachte] en [slachtoffer] .
Op basis van deze meldingen heeft de rechtbank een beeld kunnen vormen van de bredere context van de zaak en van de relatie tussen [slachtoffer] en [verdachte] , die als ongepast en ongezond kan worden gezien. Deze meldingen geven vooral inzicht in de achtergrond waartegen het ten laste gelegde zou hebben plaatsgevonden. Uit de mutatierapporten blijkt echter ook dat de politie geen concrete uitlatingen over seksueel misbruik heeft kunnen vaststellen. De rechtbank kan in deze rapporten dan ook geen concrete steun vinden voor de ten laste gelegde handelingen. Ook bevatten de rapporten geen waarnemingen van emoties die daarmee voldoende in verband kunnen worden gebracht. De rechtbank concludeert daarom dat ook de mutatierapporten niet als steunbewijs voor de ten laste gelegde feiten kunnen worden gebruikt.
Conclusie
De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat steunbewijs voor de aangifte van [slachtoffer] ontbreekt. Daarom wordt niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. Voor de ten laste gelegde feiten is dus onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig, zodat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken.
De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat hiermee niet is gezegd dat de handelingen als beschreven in de verklaring van [slachtoffer] niet gebeurd zijn. De rechtbank ziet in het dossier aanknopingspunten voor het bestaan van een relatie tussen [slachtoffer] en [verdachte] die, mede gelet op de leeftijd van [slachtoffer] , als ongepast kan worden beschouwd. Dit is echter onvoldoende om vast te stellen dat de specifieke ontuchtige handelingen zoals ten laste gelegd
hebben plaatsgevonden

3.Benadeelde partij

Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 heeft [slachtoffer] , ter zitting bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 20.000,- euro ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

4.Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. A. Nieuwenhuis en mr. S. Zoer, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 maart 2026.