Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1001

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
LEE 25/4279
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vaststellingsovereenkomst kinderopvangtoeslagen

Eiseres, erkend slachtoffer van de kinderopvangtoeslagenaffaire, diende op 12 december 2024 een bezwaarschrift in tegen de Dienst Toeslagen. Na het indienen van het bezwaar sloot eiseres op 24 april 2025 een vaststellingsovereenkomst met Stichting Gelijkwaardig Herstel, waarin werd afgesproken dat alle lopende procedures tussen partijen worden beëindigd.

Ondanks een ingebrekestelling en verzoek om besluitvorming, bleef een besluit uit en stelde eiseres op 28 oktober 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De Dienst Toeslagen verwees naar de vaststellingsovereenkomst waarin expliciet was vastgelegd dat geen verdere bezwaar- of beroepsprocedures zouden worden gevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst te toetsen en dat eiseres deze buitengerechtelijk of via de civiele rechter moet aanvechten. Omdat de vaststellingsovereenkomst een einde maakte aan alle lopende procedures, ontbrak het eiseres aan procesbelang bij het instellen van het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij een vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang door een eerder gesloten vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4279

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Wagenborgen, eiseres

(gemachtigden: mrs. S. Arakelyan en F. Heinink),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mrs. I. Mulder en M. Krari).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat Dienst Toeslagen volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 12 december 2024.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. De zitting heeft plaatsgevonden via een video-verbinding. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigden en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres is erkend slachtoffer van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Nadat namens eiseres op 12 december 2024 een bezwaarschrift is ingediend, heeft eiseres zich aangemeld bij Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH). Op 24 april 2025 is tussen eiseres en SGH een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten. Namens eiseres is vervolgens op 13 juni 2025 een ingebrekestelling verstuurd en is Dienst Toeslagen verzocht om binnen twee weken een besluit te nemen. Toen na het verstrijken van deze termijn een besluit uitbleef, is op 28 oktober 2025 beroep ingesteld.
2.1.
Dienst Toeslagen heeft erop gewezen dat eiseres in april 2025 al een vso had ondertekend, dus ruim voordat zij in oktober 2025 het beroep instelde. In deze vso is expliciet opgenomen dat lopende bezwaarprocedures worden beëindigd en dat geen verdere bezwaar- of beroepsprocedures zullen worden gevoerd.
2.2.
Namens eiseres is gesteld dat de totstandkoming van de vso niet correct verlopen is. Eiseres heeft niet begrepen wat de gevolgen van de ondertekening van de vso waren en haar gemachtigden zijn niet geïnformeerd voordat de vso is gesloten. In de visie van eiseres moet de rechtbank daarom creatief oordelen in deze zaak, zodat er toch inhoudelijk naar het bezwaar van eiseres gekeken kan worden.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Om de inhoud van de vso en de wijze waarop die tot stand gekomen is te kunnen aanvechten kan de vso door eiseres buitengerechtelijk vernietigd worden of kan via de civiele rechter vernietiging aangevraagd worden. Hoe frustrerend het ook is dat ze daarvoor nóg een procedure moet starten, de bestuursrechter kan niet de (geldigheid van de) vso beoordelen. Dat betekent dat de bestuursrechter van de geldigheid van de vso moet uitgaan.
3.1.
Uit de vso blijkt dat partijen hebben afgesproken dat ze na de vso over en weer geen aanspraken meer hebben. Ook is overeengekomen een einde te maken aan alle lopende procedures tussen eiseres en de Dienst. Feitelijk ligt daarin besloten dat Dienst Toeslagen niet meer hoefde te beslissen op het bezwaar van eiseres. Dat betekent dat eiseres geen procesbelang had op het moment van het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.2.
Omdat eiseres het beroep heeft ingesteld nadat partijen de vso hebben gesloten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.