ECLI:NL:RBNNE:2025:5869

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
96-006536-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding advocaatkosten na sepot geluidshinder

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 16 december 2025 een verzoek op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van advocaatkosten door een verzoeker die verdacht werd van het veroorzaken van geluidshinder. Het Openbaar Ministerie had de zaak op 4 juli 2025 geseponeerd wegens verjaring.

De verzoeker vorderde vergoeding van gemaakte kosten voor rechtsbijstand en het indienen van het verzoek. De rechtbank oordeelde dat ondanks het sepot niet zonder meer recht op vergoeding bestaat; er moet sprake zijn van billijkheid zoals bedoeld in artikel 534 Sv Pro.

Uit het dossier bleek dat de verdenking gegrond was: er was sprake van geluidsoverlast afkomstig uit de tuin van de woning van verzoeker, die als bewoner verantwoordelijk kon worden gehouden. Eerdere meldingen en waarschuwingen aan het adres versterkten dit beeld. De rechtbank vond het daarom niet redelijk dat de staat de advocaatkosten zou dragen.

Het verzoek werd afgewezen en de kosten blijven voor rekening van verzoeker.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten wordt afgewezen omdat de verdenking gegrond was en de kosten voor rekening van verzoeker blijven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer : 96-006536-24
raadkamernummer : 25-024863
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. N.D. Spijker, advocaat te Groningen.

Procesverloop

Het Openbaar Ministerie heeft op 4 juli 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat het feit inmiddels te oud was.
Op 26 september 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
-
de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde strafzaak tot een bedrag van 968,-;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 13 oktober 2025 en de reactie van de advocaat van 3 november 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en het Openbaar Ministerie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.

Beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv Pro) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Verzoeker werd kort gezegd verdacht van het veroorzaken van geluidshinder. Uit het proces-verbaal blijkt dat verbalisanten naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast naar de woning van verzoeker zijn gegaan en hebben geconstateerd dat er tot tientallen meters afstand van de woning muziek te horen was afkomstig uit de tuin van de woning. Nadat men ervan op de hoogte raakte dat er politie aanwezig was in de straat, werd de muziek uitgezet.
Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er zowel destijds als achteraf bezien een gefundeerde verdenking tegen verzoeker bestond dat hij zich schuldig maakte aan een overtreding van de APV (te weten geluidshinder), welke verdenking ertoe heeft geleid dat verzoeker advocaatkosten heeft moeten maken. Verzoeker heeft het aan zichzelf te wijten dat deze verdenking om hem is gevallen en achteraf is niet gebleken dat die verdenking onterecht was. De argumenten van de advocaat dat verzoeker op het betreffende adres woonachtig was, hij zich aldus niet aan de situatie kon onttrekken en onduidelijk is wie zeggenschap had over het volume van de muziek maken vorenstaande niet anders. Integendeel, als bewoner van de overlast veroorzakende woning kon verzoeker juist verantwoordelijk worden gehouden voor de geluidshinder. Temeer nu de politie in het proces-verbaal beschrijft dat er in het jaar 2022 al 21 meldingen waren gedaan ter zake geluidsoverlast op het betreffende adres, er al meerdere meldingen over familie [familienaam] waren gedaan en dat er was aangezegd dat bij een volgende constatering van geluidsoverlast inbeslagname van de apparatuur zou volgen. Bovendien zou verzoeker tegen de verbalisanten hebben gezegd dat het zijn muziek was.
De rechtbank acht het gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden niet passend dat de gemaakte advocaatkosten in verband met de verdenking van het veroorzaken van geluidshinder door de Staat worden gedragen. De nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking dienen voor rekening van verzoeker te worden gelaten. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.