ECLI:NL:RBNNE:2025:5856

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
18-114248-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SvArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging

Op 9 februari 2025 heeft verdachte samen met anderen in Drachten fors geweld gebruikt tegen het slachtoffer, waarbij deze meermalen en met kracht tegen hoofd en lichaam is geslagen en geschopt. Verdachte werd primair beschuldigd van poging doodslag, maar de rechtbank sprak hem hiervan vrij wegens onvoldoende bewijs dat het slachtoffer daadwerkelijk op het hoofd werd geschopt en dat er een aanmerkelijke kans op overlijden bestond.

De rechtbank achtte wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging. Verdachte had voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, omdat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Er was sprake van nauwe samenwerking met medeverdachten, wat medeplegen bevestigt.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 54 dagen op, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een werkstraf van 80 uren. Daarnaast moet verdachte een schadevergoeding van €1.745,- betalen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 februari 2025. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met medeverdachten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 dagen jeugddetentie waarvan 42 dagen voorwaardelijk, 80 uur werkstraf en betaling van €1.745,- schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-114248-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 24 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.A. Heukers, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (- zakelijk weergegeven -) (die (weerloos en/of op de grond liggende) [slachtoffer] ) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(- zakelijk weergegeven -) (die (weerloos en/of op de grond liggende) [slachtoffer] ) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland openlijk, te weten, op/aan/bij [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen - een persoon, te weten [slachtoffer] , door (- zakelijk weergegeven -) die (tevens en/of op enig moment) (weerloos en/of op de grond liggende) [slachtoffer] meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat op basis van de aangifte, de (beschrijving van de) camerabeelden en de verklaring van verdachte bewezen kan worden dat verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag en openlijke geweldpleging.
Verdachte en de medeverdachten hebben, op de openbare weg, fors geweld gebruikt tegen aangever. Zij hebben hem met kracht tegen het lichaam en hoofd geschopt en geslagen. Verdachte en de medeverdachten hebben daarbij willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard dat aangever door het geweld zou komen te overlijden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging doodslag. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte of één van de medeverdachten tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Daarnaast kan ook niet vastgesteld worden dat er een aanmerkelijke kans op de dood van aangever bestond door de geweldshandelingen die zijn verricht. De raadsvrouw heeft verder naar voren gebracht dat het medeplegen van de poging zware mishandeling en de openlijke geweldpleging bewezen kunnen worden en refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van deze feiten aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft daarbij wel betoogd dat niet bewezen kan worden dat er met kracht op of tegen het hoofd van aangever is geschopt.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak poging doodslag
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair ten laste is gelegd, namelijk de poging doodslag. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op de beelden die zich in het dossier bevinden en ter terechtzitting zijn getoond, is te zien dat de verdachte en de medeverdachten fors geweld gebruiken tegen aangever. Te zien is dat zij aangever veelvuldig slaan en schoppen. De rechtbank heeft daarbij waargenomen dat er wel in de richting van het hoofd van aangever is geschopt maar op basis van de (beschrijving van de) beelden kan de rechtbank niet vaststellen dat aangever ook daadwerkelijk op zijn hoofd is geraakt. Weliswaar heeft aangever letsel opgelopen in zijn gezicht en aan zijn hoofd maar de rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat dit letsel is ontstaan door het schoppen tegen het hoofd. De rechtbank kan op basis van de beelden wel vaststellen dat er meerdere malen tegen het hoofd is geslagen en tegen het lichaam is geschopt en geslagen maar deze vaststelling kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever daardoor zou komen te overlijden. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de ten laste gelegde poging doodslag.
Bewezenverklaring poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De rechtbank volstaat ten aanzien van deze feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is ook in
onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 10 februari 2025, opgenomen op pagina 212 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025036009 van 15 mei 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2025, opgenomen op pagina 235 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging
Op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met anderen, geweld heeft gepleegd tegen aangever. Verdachte heeft aangever daarbij tegen het hoofd geslagen en tegen het lichaam geschopt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is sprake als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling daarvan is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat degene die die handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat het handelen van verdachte, het veelvuldig met kracht slaan tegen het hoofd en schoppen tegen het lichaam, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook verdachte moet zich, als normaal denkend mens, bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. De gedragingen van verdachte kunnen bovendien naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Verdachte heeft aangever immers veelvuldig geslagen en geschopt terwijl aangever al op de grond lag. Daarnaast werd op dat moment ook geweld gebruikt tegen aangever door de medeverdachten. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
De rechtbank stelt verder vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, zodat er ten aanzien van de poging zware mishandeling sprake is van medeplegen. Verdachte en medeverdachten hebben immers allemaal geweld gebruikt tegen aangever. Aangezien het geweld op de openbare weg heeft plaatsgevonden en verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het
geweld, komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De rechtbank overweegt tot slot dat op basis van het dossier en op basis van wat er ter terechtzitting is besproken niet bewezen kan worden dat er, ten aanzien van de poging zware mishandeling, bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte rade. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op 9 februari 2025 te Drachten, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die (op enig moment weerloos en op de grond liggende) [slachtoffer] meermalen en met kracht tegen het hoofd te hebben geslagen en tegen het lichaam te hebben geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 9 februari 2025 te Drachten openlijk, te weten op [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , door die (op enig moment weerloos en op de grond liggende) [slachtoffer] meermalen en met kracht tegen het hoofd te slaan en tegen het lichaam te schoppen en te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair medeplegen van poging zware mishandeling;
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 54 dagen waarvan 42 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft gevorderd dat de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke jeugddetentie worden verbonden en dat de proeftijd op één jaar wordt gesteld. De officier van justitie heeft tot slot gevorderd dat, naast de jeugddetentie, ook een werkstraf van 120 uren aan verdachte wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat bij de strafoplegging rekening gehouden dient te worden met het feit dat verdachte in een JJI is geplaatst tijdens zijn voorarrest. Een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een (deels) voorwaardelijke werkstraf is volgens de raadsvrouw een passende straf. Deze straf is ook in lijn met het advies van de Raad.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 november 2025, het rapport van de jeugdreclassering van 2 december 2025, het strafblad van verdachte, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling in vereniging en aan openlijke geweldpleging. Verdachte heeft samen met anderen fors geweld gepleegd tegen aangever. Aangever is veelvuldig tegen zijn hoofd geslagen en tegen zijn lichaam geschopt en geslagen. Ook toen aangever weerloos op de grond lag, gingen verdachte en de anderen door met slaan en schoppen. Dat het geweldsincident voor aangever enorm beangstigend is geweest blijkt uit zijn verklaringen en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding die door hem is ingediend. Uit het dossier blijkt dat er eerder incidenten zijn voorgevallen tussen aangever en de groep waar verdachte op 9 februari 2025 deel van uitmaakte. Daarnaast blijkt ook dat aangever op 9 februari 2025 de confrontatie met die groep niet uit de weg is gegaan en ook geweld heeft gebruikt. Dit is nadrukkelijk geen enkel excuus voor het buitensporige geweld dat vervolgens door de groep tegen aangever is gebruikt. Daarbij komt dat dit soort feiten bijdragen aan de in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, zeker omdat het geweld in het openbaar is gepleegd en anderen daar getuige van zijn geweest. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een geweldsfeit.
Persoon van verdachte
De Raad heeft een rapport opgemaakt over verdachte. Uit dat rapport volgt dat het ten tijde van het delict niet goed ging met verdachte. Hij zat niet lekker in zijn vel, gebruikte drugs, hing op straat rond en het ging niet goed op school. Inmiddels heeft verdachte, met hulp van de jeugdreclassering, zijn moeder en de betrokken hulpverlening, zijn leven weer op de rit gekregen en positieve ontwikkelingen doorgemaakt.
Verdachte heeft zich goed gehouden aan de voorwaarden die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd. Verdachte houdt zich aan de afspraken, gaat naar school en werk en gebruikt geen drugs meer. Daarnaast is er sprake van voldoende zicht en sturing vanuit de moeder van verdachte. Verdachte krijgt daarnaast hulp van [instelling] . Hij leert omgaan met gebeurtenissen uit het verleden en hij krijgt ondersteuning bij het ontwikkelen van gezondere copingstrategieën en het versterken van zijn sociaal-emotionele functioneren. De Raad is van mening dat het van belang is dat de jeugdreclassering nog enige tijd betrokken blijft bij verdachte zodat er gewerkt kan worden aan een verdere opbouw van vrijheden en het traject bij [instelling] gecontinueerd wordt.
De Raad adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast adviseert de Raad een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen en aan die werkstraf een aantal bijzondere voorwaarden te verbinden. Verdachte kan door de uitvoering van een werkstraf ervaren dat zijn gedrag consequenties heeft. Omdat verdachte al veel positieve stappen heeft gezet, vindt de Raad een proeftijd van één jaar voldoende.
Straf
Alles afwegende is de rechtbank, net als de officier van justitie, van oordeel dat het in deze zaak passend en geboden is om een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een geheel onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen aan verdachte. Wat betreft de jeugddetentie zal de rechtbank aansluiten bij de eis van de officier van justitie. Dit betekent dat de rechtbank een jeugddetentie oplegt van 54 dagen waarvan 42 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal aan deze jeugddetentie de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden en de proeftijd vaststellen op één jaar. Daarnaast legt de rechtbank een werkstraf van 80 uren op aan verdachte. Deze werkstraf is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 245,- ter vergoeding van materiële schade en 1.500,-ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Ter terechtzitting is de vordering, namens de benadeelde partij, toegelicht door een gemachtigde van Slachtofferhulp Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag, refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de door de benadeelde partij geleden schade.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van 1.000,-, omdat aangever zelf de confrontatie heeft gezocht met verdachte en de medeverdachten en hen ook zou hebben uitgelokt. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn beperkte draagkracht. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw de schadevergoedingsmaatregel te beperken tot een deel van de toe te wijzen schade zodat verdachte slechts voor dat bedrag kan worden aangesproken door het CJIB.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, aangezien hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de ernst van het feit, de gevolgen die het feit voor de benadeelde partij heeft gehad en gelet op toegekende schadevergoedingen in soortgelijke zaken acht de rechtbank het gevorderde bedrag van 1.500,- billijk. De rechtbank zal dit bedrag niet matigen, zoals door de raadsvrouw is betoogd. Weliswaar heeft aangever een rol gespeeld in de escalatie van het geweld maar de rechtbank is van oordeel dat hij niet bedacht hoefde te zijn op het door de verdachte en de medeverdachten gezamenlijk uitgeoefende excessieve geweld. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij dan ook in zijn geheel toe.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de toe te wijzen schade. De rechtbank overweegt dat, naast het eerder genoemde uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid, artikel 6:166, tweede lid, BW aangeeft hoe de onderlinge verdeling van de schade tussen verdachten behoort plaats te vinden. Daarin staat dat alle aansprakelijke personen onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij op basis van de omstandigheden van het geval een andere verdeling billijk is. De rechtbank ziet, gelet op het in groepsverband gepleegde geweld waarin de verdachte en de medeverdachten allemaal een actief aandeel hebben gehad, geen aanleiding om een andere verdeling van de schade tussen de verdachten vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte samen met de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.
Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-
maatregel (hoofdelijk) opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Aan het doel en de strekking van de schadevergoedingsmaatregel ligt de gedachte ten grondslag dat het slachtoffer de inning van het aan hem verschuldigde uit handen wordt genomen. Bovendien leidt oplegging van deze maatregel voor de slachtoffers tot meer zekerheid over de daadwerkelijke ontvangst van de toegekende schadevergoeding. Met het oog op deze belangen van het slachtoffer, zal de rechtbank niet meegaan in het verzoek van de raadsvrouw om slechts een deel van de schade aan verdachte op te leggen via de schadevergoedingsmaatregel.
Wettelijke rente en kosten
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2025. De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 54 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte,
te weten 42 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij [instelling] , op het adres [adres] , zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en werkt mee aan de gemaakte afspraken;
dat de veroordeelde onderwijs volgt en/of dagbesteding heeft;
dat de veroordeelde meewerkt aan eventuele hulpverlening (bijvoorbeeld van [instelling] ) als de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Geeft aan [instelling] te [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van
40 dagenzal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt veroordeelde hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 1.745,- (zegge: duizend zevenhonderdvijfenveertig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan veroordeelde hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van
[slachtoffer]aan de Staat te betalen een bedrag van 1.745,- (zegge: duizend zevenhonderdvijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 245,- aan materiële schade en 1.500,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.
Bepaalt dat als veroordeelde of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.P. Eckert, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. M. Brinksma en mr. A. de Jong, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 december 2025.
Mr. H.P. Eckert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.