Verzoeker heeft op 13 oktober 2025 een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium op grond van artikel 287b Faillissementswet, gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft op 16 oktober 2025 een tussenvonnis gewezen en de zaak verwezen naar de zitting van 26 november 2025, waarbij een tijdelijke voorziening werd getroffen.
Verzoeker is niet verschenen bij de zitting, ondanks behoorlijke oproeping. De schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder waren wel aanwezig. Uit het tussentijdse verslag bleek dat de huur van oktober 2025 op tijd was voldaan, maar de huur van november 2025 werd eerst gestorneerd en later alsnog betaald. Verzoeker ontvangt een WW-uitkering die eind november 2025 afloopt en heeft een aanvraag voor een Participatiewet-uitkering ingediend, maar de gemeente heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen vanwege het niet verschijnen van verzoeker op een afspraak.
De verhuurder heeft aangevoerd dat verzoeker niet aan de voorwaarden van het tussenvonnis heeft voldaan en dat er sprake is van overlast, waardoor buren tijdelijk elders wonen. De rechtbank oordeelt dat de gevraagde voorziening niet gerechtvaardigd is omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van tijdige huurbetaling en onvoldoende vaststaat dat verzoeker de lopende verplichtingen kan nakomen. Tevens weegt het belang van de verhuurder zwaarder. Het verzoek wordt afgewezen en verzoeker wordt opgedragen binnen twee weken aan te geven of het verzoek tot schuldsanering wordt gehandhaafd.